Alle soortenUilenEchte uilen › Ruigpootuil

Ruigpootuil | Aegolius funereus

Boreal Owl | Mochuelo boreal

De ruigpootuil is de uil van het naaldwoud van het hoge noorden en van de hoogste bergbossen daaronder. Hij jaagt vrijwel uitsluitend in het donker en zit overdag onbeweeglijk tegen een stam, zodat hij zelden wordt gezien; in Noord-Amerika kent men hem vooral als een stem die in maart uit een sparrenbos komt. Zijn Nederlandse naam slaat op de tot de tenen dicht bevederde poten.

Ruigpootuil (Aegolius funereus)
Hoofdfoto · Foto: Denali National Park and Preserve — Public domain · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Voor deze soort is de stem het eerste en meestal het enige veldkenmerk. Het mannetje zingt van februari tot in april een reeks van acht tot twintig lage, holle fluittonen die in de loop van de reeks aanzwellen: poe-poe-poe-poe-poe, vaak vergeleken met het bokkende geluid van een baltsende watersnip. Bij de Amerikaanse vogels is de reeks trager en telt ze meer noten dan bij dezelfde soort in Europa. Zodra het mannetje een vrouwtje heeft of het vrouwtje broedt, valt de zang vrijwel stil, en mede daarom wordt de soort zo gemakkelijk over het hoofd gezien. Het hele jaar door klinkt daarnaast een korte kip of kjoe.

Luister: ZangXC979415

Opname: Lubomir Wójcicki — CC BY 4.0 · Gmina Pawonków (near Solarnia), Powiat lubliniecki, Województwo Śląskie, Poland · xeno-canto

Herkenning

Een kleine, gedrongen uil met een opvallend groot, vierkant hoofd zonder oorpluimen en een korte staart. De bovendelen zijn chocoladebruin met grote witte vlekken, de onderdelen wit met brede bruine strepen, en de kruin is dicht bezaaid met kleine ronde witte stippen. De grijswitte gezichtssluier wordt door een donkere rand omlijst; daarin staan gele ogen met witte wenkbrauwen, wat de vogel een verbaasde uitdrukking geeft. Het vrouwtje is duidelijk groter en zwaarder dan het mannetje, een verschil dat bij een paar aan het nest goed te zien is. De poten zijn tot op de tenen dicht bevederd en de snavel is bleek hoornkleurig.

Verwarrings­soorten

De zaaguil (Aegolius acadicus) is de enige soort waarmee hij werkelijk te verwarren is: die is kleiner, heeft een zwarte in plaats van een bleke snavel, fijne witte streepjes op het voorhoofd in plaats van ronde stippen, en mist de donkere rand om de gezichtssluier. De zang beslist: bij de zaaguil een eindeloze, gelijkmatige reeks van ongeveer twee noten per seconde, bij de ruigpootuil een aanzwellende reeks die na acht tot twintig noten ophoudt. Schreeuwuilen (Megascops) zijn slanker en hebben oorpluimen. In het noorden overlappen beide Aegolius-soorten en gebruiken ze soms dezelfde spechtgaten.

Leefgebied

Oud naaldbos en gemengd bos van sparren, berken, espen en populieren in de boreale gordel, en zuidwaarts daarvan de subalpiene sparren-zilverspargordel van de Rocky Mountains, in Colorado doorgaans boven tweeduizendachthonderd meter. Hij heeft holten nodig, vrijwel altijd oude spechtgaten, en dus oude bomen met dikke stammen. In de winter jaagt hij waar de sneeuw los blijft, omdat hij zijn prooi eronder beluistert; een harde ijskorst sluit zijn jachtgebied af. Anders dan de sperweruil en de velduil, die ook of vooral overdag jagen, is hij vrijwel volstrekt nachtelijk.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van Alaska door heel boreaal Canada tot Labrador, en zuidwaarts langs de bergketens tot in Washington, Oregon, Idaho, Montana, Wyoming, Utah, Colorado en noordelijk New Mexico; in het oosten reikt het broedgebied tot noordelijk Minnesota. Echte trek kent hij niet, maar in winters met weinig woelmuizen verlaten vooral jonge vogels en vrouwtjes het broedgebied en duiken ze zuidelijker op, tot in Michigan, Wisconsin en North Dakota. Zulke invasies komen onregelmatig, om de paar jaar, en houden één winter aan. Dezelfde soort bewoont de naaldbossen van Europa en Azië.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De enige betrouwbare manier is 's nachts luisteren in maart en begin april, bij windstil weer en een paar graden vorst, langs een bosweg door oud sparrenbos. Rijd langzaam, stop elke kilometer en luister vijf minuten: de zang draagt ver, maar is zo laag dat wind hem meteen wegneemt. Zoek niet naar de vogel zelf — die zit hoog en verroert zich niet.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt op ruim anderhalf miljoen vogels geschat en de soort geldt als niet bedreigd, al is ze door haar nachtelijke leefwijze en afgelegen areaal moeilijk te tellen. Het verdwijnen van oude bomen met spechtgaten door kaalkap is de belangrijkste bedreiging; in Europa zijn om die reden op grote schaal nestkasten opgehangen, in noordelijke landen met duidelijke aantalsafname. Waar oud bos blijft staan, houdt de soort stand.

Wetenschappelijke naam

Aegolius funereus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Strix funerea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. funereus is Latijn voor 'van een begrafenis' en verwijst naar de aanhoudende holle roep, die in Europa als voorbode van de dood gold. Het geslacht Aegolius werd in 1829 ingevoerd door Kaup; het is het Latijnse woord voor een nachtuil, ontleend aan het Griekse aigolios, de naam van een vogel die als slecht voorteken werd beschouwd. De typelocatie is Europa, later beperkt tot Zweden.