Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Amerikaanse oehoe
Amerikaanse oehoe | Bubo virginianus
Great Horned Owl | Búho cornudo
De Amerikaanse oehoe is de uil die in bijna heel Noord-Amerika de nacht vult, van de boomgrens tot de woestijn en van moerasbos tot stadspark. Hij is zwaar genoeg om een stinkdier of een jonge buizerd te doden, en hij begint al in januari te broeden, als er nog sneeuw op de nestrand ligt.
Geluid
Het geluid dat iedereen kent is een diepe reeks van vier tot vijf gedempte stoten, hoe-hoe-hoehoe … hoe hoe, bij het mannetje lager en trager dan bij het wat hoger roepende vrouwtje. Paren roepen in de late herfst en de winter tegen elkaar in, vaak tot diep in de nacht en soms al een uur voor zonsondergang. Daarnaast klinkt het schorre gekrijs van bedelende jongen, dat weken achtereen 's avonds uit dezelfde boomgroep komt, een scherp wak-wak-wak bij onrust, en snavelgeklap als je te dicht bij het nest komt.
Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · Portal, Arizona, United States · xeno-canto
Herkenning
Een zware uil met een tonvormig lijf, een grote kop en twee ver uiteenstaande oorpluimen die overeind gaan staan zodra hij alert is. De gezichtssluier is roestbruin en wordt door een zwarte rand omsloten; de ogen zijn geel en op de keel staat een witte vlek die bij het roepen opbolt. De onderzijde is fijn dwarsgebandeerd, de bovenzijde gevlekt in bruin, grijs en zwart. Man en vrouw zijn gelijk getekend, maar het vrouwtje is groter; vogels van de prairies en het noordwesten zijn veel bleker dan die van de Pacifische kust, die bijna donkerbruin zijn. Jonge vogels houden hun eerste zomer nog een donzige kop met korte pluimen en grijsbruine banden. In vlucht is hij breed en kortstaartig, met trage, geluidloze slagen en korte glijvluchten ertussen.
Verwarringssoorten
De sneeuwuil zit in de winter op dezelfde palen boven akkers en dijken, maar is wit met donkere dwarsstreepjes, heeft een ronde kop zonder oorpluimen en een open, bleke gezichtssluier. De bleke prairievorm van de Amerikaanse oehoe komt daar het dichtst bij, maar houdt altijd zijn oorpluimen en de donkere rand om het gezicht. De Amerikaanse kerkuil is veel lichter gebouwd, met een hartvormig wit gezicht, zwarte ogen en zonder pluimen. Overdag op een paal boven grasland wordt hij voor een roodstaartbuizerd aangezien; die heeft een kleine kop zonder gezichtssluier en een langere, smallere staart.
Leefgebied
Hij gebruikt bijna elk landschap dat bomen of rots biedt om overdag in te zitten en open grond om boven te jagen: loofbos en houtwallen, oeverbos langs de rivieren van het westen, naaldbos tot aan de boomgrens, doornstruweel in de woestijn, en de oude bomen van stadsparken en begraafplaatsen. Wat hij nodig heeft is een nest dat hij niet zelf bouwt — meestal een verlaten horst van een buizerd, een kraai of een eekhoorn, of een richel in een canyonwand. Hij mijdt aaneengesloten bos zonder open plekken en de kale toendra ten noorden van de boomgrens. In grote steden broedt hij tot in parken van enkele tientallen hectaren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van de boomgrens in Alaska en Labrador tot in Midden-Amerika, en verder zuidwaarts door Zuid-Amerika tot Argentinië, buiten het gidsgebied. Hij ontbreekt op de Caraïbische eilanden en op Hawaï. Trekken doet hij niet: geringde vogels blijven doorgaans hun leven lang binnen enkele kilometers van hun nest, en alleen jonge vogels zwerven in hun eerste winter verder. In het noorden zakken vogels wel zuidwaarts in jaren waarin de sneeuwschoenhazen zijn ingestort, maar dat is geen vaste trek. De ontginning van het oosten heeft hem geholpen: het mozaïek van bosjes en akkers dat in de negentiende eeuw ontstond levert meer jachtterrein op dan het gesloten bos daarvoor.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in januari en februari, als de paren roepen en de bomen kaal zijn: ga op een windstille avond aan een bosrand staan, een halfuur na zonsondergang, en luister naar de vier of vijf diepe stoten. Overdag verraadt een troep kraaien of blauwe gaaien die schreeuwend om één boom cirkelt bijna altijd een slapende uil. Lees dan de silhouetten in de takken: een dik, rechtop zittend blok met twee punten erbovenop.
Staat van instandhouding
Talrijk en over het hele continent verspreid, met een geschatte populatie van enkele miljoenen vogels en een licht dalende trend. De belangrijkste doodsoorzaken zijn aanrijdingen, botsingen met draad en prikkeldraad, en vergiftiging door rattengif dat zich via muizen en ratten in de uil ophoopt. Vervolging is sterk teruggelopen sinds uilen in de Verenigde Staten en Canada wettelijk beschermd zijn.
Wetenschappelijke naam
Bubo virginianus | (Gmelin, 1788)
Johann Friedrich Gmelin beschreef de soort in 1788 als Strix virginiana, in het geslacht dat toen alle uilen omvatte; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Bubo werd in 1805 ingevoerd door Duméril; bubo is het Latijnse woord voor de oehoe en is gevormd naar het geluid van de vogel. virginianus betekent 'van Virginia': het beschreven exemplaar kwam uit het koloniale Amerika, en de typelocatie is later tot Virginia beperkt. De Nederlandse naam plaatst hem naast de oehoe van Europa en Azië, die in hetzelfde geslacht staat; de Engelse en de Spaanse naam noemen de oorpluimen.




