Alle soortenUilenEchte uilen › Ponderosadwergooruil

Ponderosadwergooruil | Psiloscops flammeolus

Flammulated Owl | Tecolote Ojos Oscuros

De ponderosadwergooruil is een uiltje ter grootte van een vuist dat in oude ponderosadennen op nachtvlinders jaagt. Hij is de enige kleine uil van Noord-Amerika met donkerbruine ogen — alle andere hebben gele — en de enige die het continent elk najaar verlaat. Zijn roep klinkt zo laag dat luisteraars hem steevast voor een veel grotere uil houden.

Ponderosadwergooruil (Psiloscops flammeolus)
Hoofdfoto · Foto: Kameron Perensovich — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

De zang is een korte, holle boep op één toonhoogte, steeds met twee tot drie seconden ertussen, een half uur lang onveranderd; soms is de noot verdubbeld tot boe-boep. De toon is opvallend laag voor zo'n klein dier: de luchtpijp is verwijd, en het geluid rolt door het bos zonder dat te horen is waar het vandaan komt. Het mannetje zingt verscholen in de kroon van een zware den, meestal pas een uur na zonsondergang en het hardst in de eerste weken na aankomst. Het vrouwtje antwoordt met een hoger, miauwend geluid, en bij het nest klinken korte, knorrende noten.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een zeer kleine, kortstaartige uil met een grote kop en oorpluimen die zo kort zijn dat ze meestal plat liggen en helemaal niet opvallen. De ogen zijn donkerbruin, bijna zwart, in een grijs gezicht dat aan de rand roestrood is aangezet; die roestrode vlammen lopen door over de schouders en de rij schouderveren. Het verenkleed is verder fijn grijs gemarmerd met zwarte schachtstrepen, en er zijn grijzere en roodbruinere vogels naast elkaar. Mannetje en vrouwtje zien er gelijk uit; het vrouwtje is zwaarder. De vlucht is snel en recht, met betrekkelijk lange, spitse vleugels voor een uiltje — hij vangt nachtvlinders in de lucht, vanaf een tak in de boomkroon.

Verwarrings­soorten

De westelijke schreeuwuil (Megascops kennicottii) is een derde langer, heeft gele ogen en duidelijke, vaak opgerichte oorpluimen, en zingt een versnellende reeks fluittonen in plaats van één lage noot. De gevlekte schreeuwuil (Megascops trichopsis) deelt in Arizona hetzelfde dennen-eikenbos maar heeft eveneens gele ogen en roept een gelijkmatige reeks toetjes. De elfuil (Micrathene whitneyi) is nog kleiner, mist oorpluimen geheel, heeft gele ogen en zit lager, in woestijn en beekbos. In het donker is het oog het snelste kenmerk: licht je bij met een zaklamp en weerkaatsen de ogen dof en donker in plaats van fel geel, dan is de zaak beslist.

Leefgebied

Oud, open bergbos van ponderosadennen, met daartussen ruimte om te jagen en zware bomen met oude spechtengaten om in te broeden; ook Douglasspar, gele den met eik, en groepjes espen. Hij kiest de midden- en bovenhellingen en mijdt de dalen en de lage voet van de berg. Zelf hakt hij geen holte, zodat het aantal broedparen staat of valt met dode staande bomen en met de spechten die er gaten in maakten. Het voedsel is vrijwel geheel insecten — uilvlinders, spanners, krekels, sprinkhanen en kevers — wat verklaart waarom hij niet kan overwinteren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedvogel in de bergen van het westen, van zuidelijk Brits-Columbia door Washington, Oregon, Idaho en de Rocky Mountains tot Californië, Arizona, New Mexico en West-Texas, en verder zuidwaarts door de Mexicaanse hooglanden. Hij trekt als enige uil van deze groep over lange afstand: de vogels vertrekken in augustus en september en overwinteren in het bergbos van zuidelijk Mexico, Guatemala en El Salvador; in Guerrero en Oaxaca zijn het hele jaar vogels. De terugkeer valt eind april en begin mei. Lang gold hij als zeldzaam, tot bleek dat gericht 's nachts luisteren hem in geschikt oud bos vrijwel overal oplevert; die herziening is een kwestie van methode, niet van toename.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga eind mei of juni bij windstil weer een uur na donker een bosweg op door oud ponderosadennenbos op een middenhelling, zet de motor af en luister: de lage boep draagt ver maar lijkt van alle kanten te komen. Loop langzaam in de richting waarin de noot iets harder wordt en verwacht de vogel hoog in de kroon van de zwaarste den in de omgeving, niet in het jonge hout. Overdag is hij vrijwel niet te vinden; zoeken op zicht is verspilde moeite.

Staat van instandhouding

Partners in Flight raamt de broedpopulatie op ongeveer 5.500 vogels en plaatst de soort op de gele waarschuwingslijst, met een hoge zorgscore vanwege het beperkte areaal; voor een nachtelijke, moeilijk telbare uil is dat cijfer met veel onzekerheid omgeven. De achteruitgang wordt toegeschreven aan het uitdunnen van oude bergbossen en het verwijderen van dode staande bomen, waarmee de nestholtes verdwijnen. Daar komt een lage voortplantingssnelheid bij, en mogelijk gevoeligheid voor bestrijdingsmiddelen via het insectenvoedsel. Nestkasten in oud dennenbos worden gebruikt.

Wetenschappelijke naam

Psiloscops flammeolus | (Kaup, 1852)

Kaup beschreef de soort in 1852 als Scops (Megascops) flammeola, met de uitgang in de vrouwelijke vorm die bij Scops hoorde; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. flammeolus is een Latijns verkleinwoord van flammeus, 'vlammend' of 'vuurkleurig', naar de roestrode tekening langs het gezicht en over de schouders. Het geslacht Psiloscops werd in 1899 ingevoerd door Coues en bevat alleen deze soort; de naam is gevormd uit het Griekse psilos, 'kaal', en skōps, 'uiltje', naar de spaarzaam bevederde tenen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mexico.