Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Roodborstsapspecht
Roodborstsapspecht | Sphyrapicus ruber
Red-breasted Sapsucker | Chupasavia pechirrojo
De roodborstsapspecht is de sapspecht van de natte naaldbossen langs de Pacifische kust, van zuidoostelijk Alaska tot Californië: een specht met een geheel rode kop, keel en borst die scherp afsteekt tegen de zwarte rug met het lange witte vleugelveld. Zoals alle sapspechten boort hij nette rijen gaatjes in de schors en komt hij steeds terug om het opwellende sap op te likken — en de insecten die er ook op afkomen. Die sapputjes worden intensief gebruikt door andere dieren, van kolibries tot eekhoorns.
Geluid
Het is geen opvallende zanger. De meest gehoorde roep is een nasaal, miauwend wie-ah of tsjeer, dat aan een klagende kat doet denken; bij ontmoetingen rond de sapputjes en in de balts volgen snaterende reeksen en schrille gillen. Zijn trommelen is typisch voor sapspechten en daardoor goed herkenbaar: eerst een korte, snelle roffel, daarna enkele losse, trager wordende tikken, als een bericht in morse. Hij trommelt in het voorjaar graag op holle takken, verkeersborden of dakgoten die ver dragen.
Opname: Denise Wight — CC BY-NC-SA 4.0 · Westwood, Plumas County, California, United States · xeno-canto
Herkenning
Een middelgrote specht waarbij kop, keel en borst egaal donkerrood zijn, met alleen een lichte veeg aan de snavelbasis. Rug en vleugels zijn zwart met lichte vlekken of bandjes op de rug, en op de gesloten vleugel valt een lange witte streep op, gevormd door de witte dekveren; in vlucht is ook de witte stuit zichtbaar. De buik is geelachtig tot vuilwit, de flanken licht gevlekt. Man en vrouw zijn vrijwel gelijk. Jonge vogels zijn in hun eerste zomer bruinzwart op de kop zonder rood, maar hebben al het witte vleugelveld dat alle sapspechten kenmerkt.
Verwarringssoorten
De roodneksapspecht heeft een zwart-wit gestreepte kop met rood alleen op voorhoofd, nek en keel en een zwarte borstband; waar beide soorten elkaar ontmoeten, in de Cascades, de Sierra Nevada en het binnenland van Brits-Columbia, komen geregeld kruisingen voor met een rode kop waarop nog vage witte en zwarte strepen doorschemeren. Zulke vogels zijn niet altijd met zekerheid thuis te brengen. Ook zuidelijke roodborstsapspechten laten de kopstrepen zwak zien. Een kruising met de geelbuiksapspecht is zeldzaam. De roodkopspecht, die in het westen alleen als dwaalgast voorkomt, heeft een witte buik en grote witte armpennen.
Leefgebied
Vochtig naaldbos met den, hemlockspar, douglasspar, zilverspar en fijnspar, zowel oud bos als jonger opgaand bos, bij voorkeur met loofbomen als els, wilg en esp ertussen, waarin hij zijn sapputjes boort. Hij broedt van zeeniveau tot ongeveer 2650 meter en maakt zijn nestholte in dode bomen of in de dode delen van levende bomen. Hij gebruikt ook boomgaarden en open stroken onder hoogspanningsleidingen. In de winter trekt hij naar gemengd bos, parken, tuinen en boomgaarden in de mildere laaglanden langs de kust.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt van zuidoostelijk Alaska zuidwaarts langs de kust van Brits-Columbia, inclusief Vancouver Island en Haida Gwaii, en door het westen van Washington en Oregon naar Californië, waar hij de kustketens en de Sierra Nevada bewoont. De noordelijke ondersoort ruber leeft van Alaska tot Oregon, de zuidelijke daggetti van het zuiden van Oregon door Californië. Noordelijke vogels en vogels van hoger gelegen broedgebieden trekken in de winter naar het zuiden of naar de laaglanden; een enkele bereikt het noorden van Baja California.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek naar nette horizontale rijen kleine gaatjes in de schors van elzen, wilgen of naaldbomen: wie bij zo'n boom wacht, ziet de vogel vroeg of laat terugkomen om de gaatjes open te houden en het sap op te likken. Let tegelijk op de rosse kolibrie, die vaak bij zulke bomen rondhangt en in het voorjaar deels van het sap leeft. In de winter wordt hij het vaakst gezien in Californische tuinen en boomgaarden, waar hij rustig en onopvallend op een stam kan zitten.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort tot niet bedreigd (LC). Partners in Flight schat de broedpopulatie op ongeveer 2,8 miljoen vogels, en volgens de Breeding Bird Survey bleven de aantallen tussen 1968 en 2015 stabiel of namen ze licht toe. Vroeger werd hij in boomgaarden als schadelijk beschouwd en doodgeschoten, maar wettelijke bescherming heeft daar een eind aan gemaakt. Plaatselijk kan het weghalen van dode bomen bij bosbeheer het aantal geschikte nestplaatsen beperken.
Wetenschappelijke naam
Sphyrapicus ruber | (Gmelin, 1788)
Johann Friedrich Gmelin beschreef de soort in 1788 als Picus ruber; omdat ze sindsdien naar een ander geslacht is overgebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Gmelin gaf ten onrechte Cayenne in Frans-Guyana als herkomst op; de typelocatie is later gecorrigeerd tot Nootka Sound op Vancouver Island, waar de expeditie van James Cook vogels verzamelde. Sphyrapicus, in 1858 door Spencer Baird ingevoerd, combineert het Griekse sphura 'hamer' met picus 'specht'; ruber is Latijn voor 'rood', naar kop en borst.
