Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Roodbuikspecht
Roodbuikspecht | Melanerpes carolinus
Red-bellied Woodpecker | Carpintero de Carolina
De roodbuikspecht is in het oosten van de Verenigde Staten een van de bekendste spechten, een vaste gast in tuinen en aan voedersilo's: een middelgrote, lichtgrijze specht met een fijn zwart-wit gezebrade rug en een felrode kap. De rode buik waaraan hij zijn naam dankt is in het veld nauwelijks te zien — een zachte roze waas laag op de buik. De soort breidt zich al decennia noordwaarts uit en is inmiddels ook in het zuiden van Canada vaste broedvogel.
Geluid
Hij is spraakzaam en het hele jaar te horen. Het bekendste geluid is een rollend kwirr of tsjurr, vaak in reeksen als tsjurr-tsjurr-tsjurr, dat ver door een bos draagt; daarnaast klinkt een kort tsjiv-tsjiv. Bij conflicten met soortgenoten gebruikt hij een luid, herhaald tsjie-wok, en paren houden in de balts contact met een zacht, grommend grr, grr. Jongen bedelen met een hoog prie-prie-prie. Het trommelen bestaat uit korte, gelijkmatige roffels van een handvol tikken; vooral mannetjes trommelen in het voorjaar geregeld.
Opname: Rory Nefdt — CC BY-NC-SA 4.0 · Lusby, Calvert County, Maryland, United States · xeno-canto
Herkenning
Een middelgrote specht met een regelmatig zwart-wit gebande rug en bovenvleugels, een lichtgrijs tot zandkleurig gezicht en effen lichtgrijze onderdelen. Het mannetje heeft een rode kap die van de snavelbasis over de kruin tot in de nek doorloopt; bij het vrouwtje is de kruin grijs en zijn alleen de nek en een vlekje boven de snavel rood. De roze tot rode waas op de onderbuik is meestal alleen van dichtbij te zien. In vlucht vallen de witte stuit en een kleine witte vlek aan de basis van de handpennen op; de middelste staartpennen zijn wit gebandeerd. Jonge vogels missen het rood op de kop.
Verwarringssoorten
De roodkopspecht heeft een volledig rode kop en hals, een effen zwarte rug en grote witte vleugelvlakken; de naamgeving zet beginners hier vaak op het verkeerde been. In Texas en Oklahoma overlapt hij met de goudvoorhoofdspecht, die een gele tot oranje nek en een geel vlekje boven de snavel heeft, bij het mannetje met alleen een kleine rode kruinvlek, en effen zwarte middelste staartpennen; waar beide soorten samen voorkomen ontstaan af en toe kruisingen. De gouden grondspecht is bruin met een zwarte borstband en een witte stuit, en foerageert veel op de grond.
Leefgebied
Loofbos en gemengd bos van allerlei aard: eiken-hickorybos, gemengd dennen- en loofbos, esdoornbos en vooral vochtige bossen langs rivieren en in moerassen, doorgaans onder de 600 meter. Hij is weinig kieskeurig zolang er dode bomen of dode takken zijn om zijn nestholte in uit te hakken, en woont daarom ook in parken, oude boomgaarden en boomrijke woonwijken. Zijn voedsel bestaat voor een groot deel uit insecten, maar in herfst en winter eet hij veel eikels, noten, zaden en vruchten, die hij ook in schorsspleten opbergt. Soms neemt hij een hagedis of een nestjong.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij bewoont het oosten van de Verenigde Staten, van Florida en de Golfkust noordwaarts tot de Grote Meren en New England en westwaarts tot de oostrand van de Great Plains, van Texas tot in het zuiden van Minnesota. In de loop van de twintigste eeuw schoof de noordgrens duidelijk op; in het zuiden van Ontario broedt hij inmiddels geregeld. Het is overwegend een standvogel; in de noordelijkste streken trekken sommige vogels in de winter iets naar het zuiden. In Mexico komt hij niet voor. Er worden geen ondersoorten onderscheiden.
- Jaarrond
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Hij bezoekt voedertafels in boomrijke tuinen, waar hij op pinda's, zonnebloempitten en vetbollen afkomt en de meeste andere vogels verdrijft — alleen de blauwe gaai laat zich niet wegjagen. Zoek in de herfst naar vogels die eikels of zaden in schorsspleten of paalkoppen wegstoppen. Let bij het vaststellen van het geslacht op de kruin: rood tot aan de snavel is een mannetje, een grijze kruin met rode nek een vrouwtje.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort tot niet bedreigd (LC). Partners in Flight schat de broedpopulatie op ongeveer 16 miljoen vogels, en volgens de Breeding Bird Survey namen de aantallen tussen 1966 en 2019 met gemiddeld 0,8 procent per jaar toe, samen met de uitbreiding van het areaal naar het noorden. De soort profiteert van voedertafels en van het ouder worden van bossen in het oosten. Wel is hij afhankelijk van dode bomen en takken om in te nestelen, en hij moet nestholtes vaak afstaan aan de geïntroduceerde spreeuw.
Wetenschappelijke naam
Melanerpes carolinus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Picus carolinus, op basis van de afbeelding en beschrijving van Mark Catesby in diens werk over de natuur van Carolina; omdat de soort sindsdien naar een ander geslacht is overgebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Linnaeus gaf als herkomst alleen 'Noord-Amerika' op; de typelocatie is later beperkt tot South Carolina. Melanerpes, in 1832 door William Swainson ingevoerd, komt van het Griekse melas 'zwart' en herpēs 'kruiper'; carolinus verwijst naar Carolina.

