Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Roodflanktowie

Roodflanktowie | Pipilo erythrophthalmus

Eastern Towhee | Rascador espalda negra

De roodflanktowie is een grote, langstaartige gors van dicht struweel in het oosten van Noord-Amerika. Het mannetje is zwart van kop tot staart, met roestrode flanken en een witte buik; het vrouwtje heeft warm bruin waar het mannetje zwart is. De vogel leeft op de bodem en schraapt met beide poten tegelijk achteruit door de bladlaag.

Roodflanktowie (Pipilo erythrophthalmus)
Foto: Paul Danese — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang bestaat uit twee of drie heldere fluittonen gevolgd door een ijle triller en duurt ongeveer een seconde; Engelstalige waarnemers schrijven hem als drink your teeeea. De roep is een oplopend, nasaal tuu-wieh, waaraan de Engelse naam towhee is ontleend; in Florida en de kustvlakte van Georgia klinkt die roep vaak als een kort, schor tswie. Tussen partners in het struweel klinkt een hoog, dun tsiet. Het schrapen in de bladeren maakt een luid ritselend geluid dat de vogel meestal eerder verraadt dan het zicht.

Luister: RoepXC1136344

Opname: Jeff Stewart — CC BY-NC-SA 4.0 · Cavan-Monaghan (near Millbrook), Peterborough County, Ontario, Canada · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje heeft een gitzwarte kop, borst, rug en staart, roestrode flanken en een witte buik; onder de vleugelbocht zit een kleine witte vlek, en de buitenste staartpennen dragen witte hoeken die bij het wegvliegen opflitsen. Het vrouwtje heeft hetzelfde patroon in warm chocoladebruin. De iris is rood in het grootste deel van het areaal, maar strogeel tot wit bij vogels van Florida en de aangrenzende kustvlakte. Jonge vogels zijn de eerste weken overal bruin en dicht gestreept, met alleen de witte staarthoeken als houvast.

Verwarrings­soorten

De gevlekte towie van het westen is vrijwel identiek van vorm, maar heeft witte vlekken op schouder en vleugeldekveren en een witte streping over de zwarte rug; de roodflanktowie heeft een ongevlekte zwarte bovenzijde en hoogstens een witte vlek aan de vleugelbasis. Waar beide elkaar raken op de Great Plains komen tussenvormen voor, en dan is het roepje betrouwbaarder dan het verenkleed. Het bruine vrouwtje wordt met een grote lijster of met de roodstaartgors verward; de lange, afgeronde staart met witte hoeken, de kegelvormige snavel en de scherp begrensde roestrode flanken zijn dan doorslaggevend.

Leefgebied

Dicht, laag struweel met een open bodemlaag van bladeren: verlaten akkers in verruiging, kapvlakten, bosranden, leidingstroken onder hoogspanning, kustduinstruweel en de struikrijke ondergroei van open eikenbos. Een gesloten, hoog bos zonder ondergroei gebruikt hij niet, en een kaal grasland evenmin. In de Appalachen komt hij tot ongeveer 2000 meter voor, met een voorkeur voor warme, zuidelijke hellingen. In tuinen met struikgroepen en een onaangeharkte bodem is hij een geregelde bezoeker.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het areaal beslaat het oosten van de Verenigde Staten van de Golfkust tot in Zuid-Ontario en Zuid-Quebec, westwaarts tot Oost-Texas, Oost-Kansas en de Great Plains. Van ruwweg Massachusetts en Iowa zuidwaarts is hij het hele jaar aanwezig; de vogels van de noordelijke rand en van de Canadese provincies trekken in oktober weg en overwinteren in het zuidoosten en in Oost-Texas. De soort is in het noorden en langs de Atlantische kust sterk afgenomen naarmate verlaten landbouwgrond weer bos is geworden.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem niet in de boom maar in de onderste halve meter van een dicht struweel, en volg het geluid van ritselende bladeren. In april en mei zingt het mannetje wel vanaf een uitstekende tak boven het struweel; dat is het moment dat je hem open en bloot ziet. Vliegt hij weg, let dan op de drie witte hoeken die aan het staarteinde opflitsen.

Staat van instandhouding

De soort is niet bedreigd (LC); Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 29 miljoen vogels. De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat sinds 1966 een afname van ongeveer 60 procent zien, waarmee de soort op de Amerikaanse lijst van kantelpuntsoorten staat; de daling is het sterkst langs de Atlantische kust en in het noordoosten. De oorzaak ligt vooral in het verdwijnen van jong, struikrijk terrein: verlaten akkers groeien door tot bos en struweel wordt bebouwd. Beheer dat open plekken, kapvlakten en leidingstroken in een struikstadium houdt, levert direct broedgebied op.

Wetenschappelijke naam

Pipilo erythrophthalmus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla erythrophthalma, naar een exemplaar uit South Carolina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pipilo werd in 1816 ingevoerd door Louis Pierre Vieillot, naar het Latijnse pipilare 'tjilpen'. De soortnaam komt van het Griekse eruthros 'rood' en ophthalmos 'oog', naar de rode iris. De Engelse naam towhee is een weergave van de roep; de Nederlandse naam benoemt de roestrode flanken.