Alle soorten › Zangvogels › Spindalissen › Westelijke spindalis
Westelijke spindalis | Spindalis zena
Western Spindalis | Cabrero
De westelijke spindalis is een bonte eilandvogel: een zwart-wit gestreepte kop, een oranje borst, nek en stuit, en een wit vlekje in de zwarte vleugel. Hij is standvogel op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, Grand Cayman en het Mexicaanse eiland Cozumel, met op elke eilandgroep een eigen ondersoort. Van de Bahama's uit bereikt hij het uiterste zuidoosten van Florida, waar in 2009 voor het eerst met succes een paar broedde.
Geluid
De zang is een lange, onregelmatige aaneenschakeling van dunne tonen, nu eens in groepjes van twee of drie, dan weer versnellend tot een ijl gepiep, en hij draagt niet verder dan een meter of twintig. Gezongen wordt er vanaf een verscholen tak hoog in de kroon en zelden in het volle zicht, vooral in het vroege voorjaar. De roep is een kort tsiep, dat tussen ritselend blad wegvalt. De vogels die Florida bereiken zwijgen meestal, en daar worden ze dan ook niet op het gehoor gevonden maar door in vruchtdragende bomen te kijken.
Opname: FREDERIC Lionel — CC BY-NC-SA 4.0 · Soroa, Artemisa, Cuba · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje heeft een zwarte kop met twee scherpe witte strepen — één boven het oog, één over de wang — en daaronder een witte keel met een oranje vlek in het midden. Borst, nek en stuit zijn oranje tot kastanjebruin, de buik is wit tot lichtgrijs, en de rug is zwart of olijfgroen naargelang de vorm. De vleugel is zwart met een wit vlekje aan de basis van de handpennen en lichte randen langs de dekveren, wat in de vlucht als een korte witte streep oplicht. Het vrouwtje is dof olijfgrijs, van onderen grijsbruin, met hooguit een zweem oranje op borst en stuit en niet meer dan een schaduw van het koppatroon; het lichte vleugelvlekje houdt zij wel. Jonge mannetjes dragen het koppatroon eerst grauw en onvolledig, met bruin waar de oude vogel zwart is.
Verwarringssoorten
Een mannetje is in dit gebied met geen enkele andere vogel te verwarren; het vrouwtje daarentegen is vrijwel effen olijfgrijs, en bij haar is het koppatroon nauwelijks te zien. Het beste houvast is dan het lichte vlekje aan de vleugelbasis — maar dat heeft ook het vrouwtje van de blauwe zwartkeelzanger (Setophaga caerulescens), die in dezelfde tuinen zit, nog geen half zo zwaar is, een dunne insectensnavel heeft en een duidelijke lichte wenkbrauwstreep draagt. Een vrouwtje spindalis is verder forser dan elke zanger, met een korte kegelsnavel en een grijze keel met een lichte baardstreep erlangs. Wie de vogel van één eilandgroep kent, kan zich op de rugkleur vergissen: op de zuidelijke Bahama's overheerst een vorm met een zwarte rug, op de noordelijke eilanden een met een groene.
Leefgebied
Op de Bahama's het droge, dichte hardhoutstruweel dat daar coppice (laag, dicht struweel op kalksteen, Caribisch en Zuid-Florida) heet, en de open dennenbossen van de noordelijke eilanden; op Cuba bos van de kust tot in de bergen, ook oude koffieplantages en schaduwbomen. Wat een plek moet bieden is een kroon met vrucht: hij volgt de dracht van vijgen, palmen en bessenstruiken en verhuist zodra die op is. In Florida wordt hij vrijwel altijd dicht bij de kust gevonden, in de hammocks — de iets hoger gelegen bosjes van tropisch loofhout — en in parken en tuinen met veel vruchtdragende bomen. Kaal, open land mijdt hij.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel op de Bahama's en de Turks- en Caicoseilanden, op Cuba en het Isla de la Juventud, op Grand Cayman en op Cozumel voor de kust van Yucatán; vijf ondersoorten, elk op een eigen eilandgroep. Trekken doet hij niet, maar hij zwerft achter het vruchtaanbod aan en steekt daarbij zeearmen over. Zo bereikt hij Zuid-Florida: bijna elk jaar worden er in Miami-Dade, in Broward en op de Keys enkele vastgesteld, meestal tussen oktober en mei. Noordelijker dan Palm Beach County is hij zeldzaam, en landinwaarts komt hij maar zelden. Het Amerikaanse deel van zijn voorkomen hangt daarmee volledig aan de wind en aan de oogst op de eilanden ten oosten en ten zuiden ervan.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in Zuid-Florida tussen december en april naar bomen die in de vrucht staan, in de kustparken en de hammocks; de parken van Key Biscayne en de bosjes van de Keys leverden de meeste vogels. Ga vroeg staan en kijk omhoog in de kroon en niet in de struik: hij foerageert hoog, beweegt weinig en valt tussen het blad weg zodra hij stilzit. Verraadt een vogel zich, dan is dat meestal door een korte beweging in het blad of door een kort tsiep.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC): op Cuba en op de grotere eilanden van de Bahama's is hij een gewone bosvogel. De vormen met een klein areaal staan er anders voor: die van Grand Cayman en die van Cozumel bewonen elk één eiland, waar een orkaan of het rooien van bos in één seizoen een groot deel van de leefruimte kan wegnemen. Wat er in Florida wordt gezien hangt volledig van die eilandgroepen af; er is daar geen vaste stand die zichzelf in stand houdt.
Wetenschappelijke naam
Spindalis zena | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de vogel in 1758 als Fringilla Zena, bij de vinken; omdat hij later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spindalis werd in 1837 ingevoerd door Jardine en Selby, met de Jamaicaanse soort als type. Linnaeus schreef de soortnaam met een hoofdletter, zoals hij deed bij woorden die hij als eigennaam overnam, en gaf er geen verklaring bij; wat zena betekent is daardoor onzeker gebleven. Als typelocatie noemt hij de Bahama's; Hellmayr beperkte die in 1936 tot New Providence.



