Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Gevlekte towie
Gevlekte towie | Pipilo maculatus
Spotted Towhee | Rascador moteado
De gevlekte towie is de westelijke tegenhanger van de roodflanktowie: een grote, langstaartige gors met een zwarte kop, roodbruine flanken en rijen witte stippen over rug en vleugels. Hij woelt met beide poten tegelijk in het bladstrooisel onder dichte struiken, van Zuid-Brits-Columbia tot in de bergen van Zuid-Mexico.
Geluid
De zang duurt ongeveer anderhalve seconde en bestaat uit een tot twee — soms tot acht — korte inleidende noten gevolgd door een snelle roffel, met de klank van een gespannen elastiek dat wordt losgelaten of van een vel papier in een ventilator. Sommige vogels laten de inleiding weg. De bekendste roep is een katachtig miauw van iets meer dan een halve seconde, gebruikt om te schelden en om contact te houden; in de vlucht klinkt een hoge, dunne noot. Vogels uit Mexico en van Isla Socorro zingen hoorbaar anders dan die uit het westen van de Verenigde Staten.
Opname: Diana Doyle — CC BY-SA 4.0 · Manning Camp, Saguaro National Park, Rincon Mtns, Arizona, United States · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje heeft een zwarte kop, keel en borst, zwarte bovendelen bestrooid met witte stippen op schouder en vleugeldekveren, roodbruine flanken, een witte buik en een lange zwarte staart met witte hoeken. De ogen zijn rood. Het vrouwtje heeft hetzelfde patroon in grijsbruin in plaats van zwart. In vlucht vallen de witte staarthoeken op. Hij zit meestal laag en foerageert scharrelend in het strooisel met een dubbele achterwaartse sprong.
Verwarringssoorten
De roodflanktowie van het oosten mist de witte stippen op rug en schouder en heeft een grotendeels effen zwarte bovenzijde; de arealen raken elkaar op de Great Plains, waar mengvormen voorkomen. De groenstaarttowie is veel kleiner, groen van boven en heeft een roestrode kruin met witte keel. De bruine en de californische towie zijn effen bruin, zonder zwart of wit patroon. In het zuidwesten van Mexico hebben de vogels een olijfbruine in plaats van zwarte rug, maar de witte stippen blijven.
Leefgebied
Droge struweel- en bosranden: struikgewas, verwilderde akkers, chaparral, canyonbodems en open, droog bergbos, altijd met een dichte struiklaag en een dikke laag bladstrooisel eronder. Hij gebruikt tuinen en struikrijke woonwijken. In Mexico zit hij vooral in dennen-eikenbos van de bergen. Onverbrande chaparral gaat voor, maar hij keert binnen ongeveer vijftien jaar na een brand terug zodra de bodembedekking hersteld is.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van Brits-Columbia, Washington, Oregon, Californië, Idaho, Nevada, Utah, Arizona, Colorado en Nieuw-Mexico, en door de Mexicaanse bergen tot Oaxaca, met geïsoleerde populaties op het schiereiland Baja California. Op de noordelijke en oostelijke rand — Alberta, Saskatchewan, Montana, Wyoming, de Dakota's en Nebraska — is hij zomervogel; die vogels overwinteren zuidelijker, tot in Kansas, Oklahoma en Texas. Een populatie op Isla Guadalupe, P. m. consobrinus, is uitgestorven.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga op het geluid af: het luide ritselen in het strooisel onder een struik is vaak het eerste signaal, gevolgd door het katachtige miauw. De vogel komt kort op een lage tak zitten voordat hij weer verdwijnt — dat is het moment voor de rode ogen en de witte stippen. In de winter aan de oostrand van het areaal is een voedertafel met zaad op de grond de beste kans.
Staat van instandhouding
Partners in Flight schat de broedpopulatie op ongeveer 40 miljoen vogels en geeft de soort 8 van de 20 punten op de schaal van continentale zorg. De Breeding Bird Survey liet tussen 1966 en 2019 een stabiele trend zien. Bebouwing levert vaak meer struikrijk terrein op en werkt dus niet tegen de soort, maar vergroot wel de sterfte door huiskatten. Geïsoleerde eilandpopulaties bij Californië en Mexico zijn kwetsbaarder voor habitatverlies en overbegrazing; de IUCN beoordeelt de soort na de splitsing van de roodflanktowie apart nog niet.
Wetenschappelijke naam
Pipilo maculatus | Swainson, 1827
Swainson beschreef de soort in 1827 als Pipilo maculata; omdat ze nog steeds in Pipilo staat, blijven auteur en jaartal zonder haakjes. Het geslacht Pipilo werd in 1816 ingevoerd door Louis Pierre Vieillot, uit het Latijnse pipilo 'tjilpen'. De soortnaam maculatus is Latijn voor 'gevlekt', naar de witte stippen op rug en vleugels. Het beschreven exemplaar kwam uit Real del Monte in de Mexicaanse staat Hidalgo. Tot 1995 vormde de soort samen met de roodflanktowie één soort, de rufous-sided towhee.






