Alle soortenZangvogelsAmerikaanse gorzen › Avondgors

Avondgors | Pooecetes gramineus

Vesper Sparrow | Gorrión cola blanca

De avondgors is de gestreepte gors van kale akkerranden, overhoeken en droge weiden, met witte buitenste staartpennen die pas bij het opvliegen zichtbaar worden. Hij is de enige Noord-Amerikaanse gors met een roodbruine schoudervlek, en hij zingt tot lang na zonsondergang door — daaraan dankt hij zijn naam.

Avondgors (Pooecetes gramineus)
Foto: Tim — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang bestaat uit twee paar heldere, aangehouden fluittonen — de eerste twee laag, het volgende paar hoger — gevolgd door een reeks dalende trillers en slurrende noten. De vogel zingt vanaf een paal, een draad, een kluit of een lage struik, en gaat na zonsondergang in de schemering door, als het grootste deel van de graslandvogels al zwijgt. De roep is een kort, scherp tsjip. Het mannetje voert bij de balts een vlucht uit met trage, hoog geheven vleugelslagen en zingt daarbij.

Luister: ZangXC175260

Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 4.0 · Grey Cloud Dunes SNA, Washington, Minnesota, United States · xeno-canto

Herkenning

Een bleke, over de hele bovenzijde en borst bruin gestreepte gors met een fijne witte oogring, een lichte oorvlek met een donkere omranding en een smalle donkere baardstreep. De buitenste staartpennen zijn wit en vallen op bij het opvliegen en bij het landen. Op de vleugelbocht zit een kastanjebruine vlek, die meestal onder de schouderveren verstopt zit en alleen zichtbaar wordt als de vogel de vleugel iets laat hangen. De snavel is kegelvormig en bleek van onderen; de poten zijn vleeskleurig. Westelijke vogels zijn bleker en grijzer, oostelijke warmer bruin.

Verwarrings­soorten

De savannegors heeft geen witte buitenste staartpennen en meestal een gele wenkbrauwstreep, een kortere, gevorkte staart en fijnere borststreping. De grasgors heeft een platte, oranje getinte kop, een korte staart en een ongestreepte, okerkleurige borst. De veldgors heeft een effen borst, een roze snavel en een brede witte oogring zonder donkere oorvlekomranding. Bij opvliegende vogels is de combinatie van wit in de staartzijden, witte oogring en een forsere, langer gestaarte indruk beslissend; een gestreepte gors zonder wit in de staart is geen avondgors.

Leefgebied

Open, droog terrein met kale grond tussen de vegetatie: kortgrasprairie, sagebrush-steppe, overbeweide weiden, braakliggende akkers, bermen en beheerde graanranden. Hij mijdt dichte, hoge vegetatie en heeft plekken nodig waar hij zichtbaar over de grond kan lopen. In het westen broedt hij tot rond 3000 meter in berg- en steppeweiden. Het nest is een kuiltje in de grond naast een graspol of struikje. Hij is vaak de eerste zangvogel die zich vestigt op gerecultiveerde mijnterreinen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied loopt van Brits-Columbia en de prairieprovincies door heel Zuid-Canada tot de Maritieme provincies, en in de Verenigde Staten door de noordelijke helft, de Rocky Mountains en het Grote Bekken tot in Noord-Arizona en Noord-New Mexico. In de winter verschuift de soort naar het zuiden van de Verenigde Staten, van Californië en Texas tot Florida en de kust van de Golf, en naar Noord- en Midden-Mexico, ruwweg van Neder-Californië en Sonora tot Tamaulipas en zuidwaarts tot de hoogvlakte rond Hidalgo en Puebla. De trek naar het zuiden begint in september, de terugkeer in maart. De precieze verdeling over de Mexicaanse deelstaten is uit de literatuur slecht af te lezen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rijd in mei of juni langs een onverharde weg door akkerland of steppe met de raampjes open en let op zingende vogels op de draad; in de laatste twee uur van de dag is de zang het gemakkelijkst te horen. Vliegt hij op, kijk dan naar de staartzijden: één witte flits aan elke kant maakt het geval rond.

Staat van instandhouding

De soort staat als weinig zorgwekkend te boek, met een geschatte broedpopulatie van ongeveer 34 miljoen vogels, maar de aantallen daalden tussen 1970 en 2014 met ruwweg 30 procent. Verlies van extensief grasland, vaker en vroeger maaien en omzetting van akkerranden in intensief bouwland zijn de belangrijkste oorzaken. De westelijke vorm affinis, van de laaglanden tussen Zuidwest-Brits-Columbia, Washington en Oregon, is tot enkele duizenden vogels teruggelopen; hij staat op de aandachtslijsten van Washington en Oregon en is bij de federale overheid voor bescherming voorgedragen.

Wetenschappelijke naam

Pooecetes gramineus | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Fringilla graminea, naar een exemplaar uit New York; door de verplaatsing naar Pooecetes staan auteur en jaartal tussen haakjes. Pooecetes is Grieks, van poa 'gras' en oikētēs 'bewoner': grasbewoner. Gramineus is Latijn voor 'van gras'. De Nederlandse naam vertaalt de Engelse Vesper Sparrow, die verwijst naar de vespers, het avondgebed, naar de zang in de schemering; de Spaanse naam noemt in plaats daarvan de witte staartzijden.