Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Roodkopspecht

Roodkopspecht | Melanerpes erythrocephalus

Red-headed Woodpecker | Carpintero cabecirrojo

De roodkopspecht is een van de meest onmiskenbare vogels van Noord-Amerika: een specht in drie scherp gescheiden kleuren, met een geheel karmozijnrode kop en hals, een blauwzwarte rug en een spierwitte buik, en in vlucht grote witte vleugelvlakken. Hij bewoont open landschap met verspreide oude bomen, vangt als een vliegenvanger insecten in de lucht en legt voorraden aan. Ooit was hij talrijk genoeg om als plaag te gelden; sindsdien is hij sterk achteruitgegaan.

Roodkopspecht (Melanerpes erythrocephalus)
Foto: U.S. Fish and Wildlife Service Northeast Region — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Het meest gehoorde geluid is een luid, schor kwier of tsjurr, hoger en schriller dan de roep van de roodbuikspecht, dat vaak herhaald wordt als vogels elkaar achternazitten. Daarnaast klinken ratelende reeksen en, bij ruzies en in de balts, een snel gebabbel. Het trommelen bestaat uit korte roffels, en in de balts tikken partners zacht op de rand van de nestholte om elkaar te lokken. In de winter is hij rondom zijn voorraadplaatsen luidruchtig en agressief tegen andere vogels.

Luister: RoffelXC1099415

Opname: Jim Berry — CC BY-NC-SA 4.0 · Skidaway Island, Chatham County, Georgia, United States · xeno-canto

Herkenning

Kenmerkend in het volwassen kleed: kop, keel en hals helder karmozijnrood met een scherpe grens naar de witte borst, rug en voorvleugel blauwzwart, en de armpennen wit, zodat een zittende vogel een groot wit vlak op de achterrug lijkt te hebben. Ook de stuit en de buik zijn wit; in vlucht ziet de vogel er daardoor uit als een zwart-wit geblokte vlag met een rode kop. Man en vrouw zijn gelijk. Jonge vogels hebben een grijsbruine kop, een bruinere rug en witte armpennen met zwarte bandjes; in de loop van hun eerste winter krijgen ze geleidelijk het rood.

Verwarrings­soorten

De roodbuikspecht heeft alleen een rode kap of nek, een fijn zwart-wit gebande rug en een grijzige buik; zijn naam doet beginners vaak aan de roodkopspecht denken. De roodborstsapspecht van het westen heeft ook een geheel rode kop en borst, maar een gelige buik, een smalle witte streep over de gesloten vleugel in plaats van witte armpennen en een zwarte rug met lichte vlekken. Jonge roodkopspechten met hun bruine kop worden weleens voor een andere soort gehouden, maar de witte vleugelvlakken zijn ook in dat kleed duidelijk.

Leefgebied

Open bos en savanne met eiken of beuken, bosranden, rivierdalen met oude bomen, overstroomde bossen met dode stammen zoals bij beverdammen, boomgaarden, golfbanen, parken en akkerland met verspreide bomen. Hij heeft dode bomen of dode takken nodig om in te nestelen en open ruimte om vanaf een uitkijkpost insecten te vangen. Recent verbrande bossen worden graag bezet. Omdat hij sterk afhankelijk is van noten en eikels, verschuift hij van jaar tot jaar met de oogst, en kan hij plaatselijk talrijk zijn en een jaar later vrijwel ontbreken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt in het zuiden van Canada, van Saskatchewan tot het zuiden van Ontario, en in de Verenigde Staten ten oosten van de Rocky Mountains, van de Great Plains tot de Atlantische kust en zuidwaarts tot de Golfkust en Florida; in New England is hij schaars. Noordelijke vogels trekken eind oktober weg en keren eind april terug; in het zuiden blijven veel vogels het hele jaar, en in de winter concentreren ze zich waar de eikel- en nootoogst goed is. In Mexico komt hij niet voor. Er worden geen ondersoorten onderscheiden.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in de zomer langs bosranden en in open eikenbossen met dode stammen: hij zit graag op een kale top of een paal en schiet van daaruit achter vliegende insecten aan als een vliegenvanger — onder de Noord-Amerikaanse spechten is hij daar de meest bedreven in. In herfst en winter is hij vaak te vinden bij een voorraad: hij klemt eikels, beukennootjes en zelfs levende sprinkhanen in schorsspleten of onder dakspanen en verdedigt die tegen andere vogels.

Staat van instandhouding

De IUCN rekent de soort sinds 2018 tot niet bedreigd (LC); van 2004 tot 2018 stond ze als gevoelig (NT) te boek. Partners in Flight schat de broedpopulatie op ongeveer 1,8 miljoen vogels, en volgens de Breeding Bird Survey namen de aantallen tussen 1966 en 2019 met meer dan een procent per jaar af, in totaal zo'n 54 procent. Oorzaken zijn het verdwijnen van dode bomen en notendragende bomen zoals de Amerikaanse kastanje, concurrentie om nestholtes met de spreeuw en verkeersslachtoffers. In Canada geldt hij wettelijk als bedreigde soort.

Wetenschappelijke naam

Melanerpes erythrocephalus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Picus erythrocephalus, op basis van Mark Catesby's beschrijving uit Carolina; de typelocatie wordt als South Carolina opgegeven. Omdat de soort sindsdien naar een ander geslacht is overgebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. William Swainson richtte in 1832 het geslacht Melanerpes speciaal voor deze soort op; de naam komt van het Griekse melas 'zwart' en herpēs 'kruiper'. Erythrocephalus combineert het Griekse eruthros 'rood' met kephalē 'kop'.