Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Eikelspecht
Eikelspecht | Melanerpes formicivorus
Acorn Woodpecker | Carpintero bellotero
De eikelspecht is de clown onder de spechten: glanzend zwart met een wit voorhoofd, een rode kruin, een bleek oog en een zwart masker rond de snavel. Hij leeft in familiegroepen die samen één of meer 'graanschuren' onderhouden, bomen of palen met duizenden zelfgeboorde gaatjes, elk gevuld met een eikel. Zijn luidruchtige roepen, zijn samenwerking bij het broeden en die voorraadbomen maken hem tot een van de best bestudeerde vogels van de eikenbossen van het westen.
Geluid
De eikelspecht is een van de luidste spechten van het westen. Het meest gehoorde geluid is een schor, lachend waka-waka-waka, vaak in koor gebracht wanneer groepsleden elkaar begroeten met gespreide vleugels. Daarnaast klinkt een rollend ja-kob ja-kob en allerlei krassende en rattelende roepen. Het kenmerkende gelach zou tekenaar Walter Lantz hebben geïnspireerd bij de stem van de tekenfilmfiguur Woody Woodpecker. Hij trommelt ook, maar valt vooral op door zijn stem.
Opname: Paul Driver — CC BY-NC-SA 4.0 · Glen Ellen, Sonoma County, California, United States · xeno-canto
Herkenning
Glanzend zwart van boven, met een witte stuit en in vlucht een witte vlek aan de basis van de handpennen. Het gezicht heeft zwart rond de snavelbasis, een wit of roomkleurig voorhoofd dat via de wangen doorloopt naar de keel, en een bleek, bijna wit oog. De borst is zwart en gaat met zwarte strepen over in een witte buik. Bij het mannetje sluit de rode kruin direct aan op het witte voorhoofd; bij het vrouwtje ligt er een zwarte band tussen voorhoofd en kruin. Jonge vogels hebben een donker oog en een minder zuivere tekening.
Verwarringssoorten
Door de combinatie van gezichtstekening en groepsgedrag is hij nauwelijks te verwarren. De roodkopspecht van het oosten heeft een geheel rode kop en grote witte vlakken in de vleugel. De witkopspecht, die in dennenbossen van het westen voorkomt, is zwart met een geheel witte kop en mist het rood op de kruin, behalve een rode nekvlek bij het mannetje. Lewis' specht, die in dezelfde eikenbossen voorkomt, is donker groenzwart met een roze buik en een grijze halsband. In vlucht kan de witte stuit met de witte vleugelvlek aan de roodkopspecht doen denken.
Leefgebied
Eikenbos en gemengd eiken-dennenbos in heuvels en bergen, ook parkachtig landschap, bossen langs beken, parken en boomrijke woonwijken, zolang er genoeg eikels zijn. Gebieden met meerdere eikensoorten zijn het gunstigst, omdat een mislukte oogst van de ene soort dan door een andere wordt opgevangen. De groep nestelt en slaapt in holtes in dode of levende takken en hergebruikt die jaar na jaar. Naast eikels eet hij insecten, die hij vaak vanaf een uitkijkpost in de lucht vangt, en verder vruchten, sap en katjes van eiken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Van westelijk Oregon door Californië en het zuidwesten van de Verenigde Staten, met Arizona, New Mexico en het westen van Texas, zuidwaarts door de hooglanden van Mexico en Midden-Amerika tot in de Andes van Colombia. Er worden zeven ondersoorten onderscheiden. Hij is in het grootste deel van zijn gebied standvogel, maar in jaren met een mislukte eikeloogst kunnen groepen hun territorium verlaten en rondzwerven.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek naar de graanschuur: een oude eik, een dode stam, een telefoonpaal of zelfs een houten schuurwand vol ronde gaatjes, elk met een eikel erin. Wie daar even wacht, ziet de groep af en aan vliegen om eikels bij te schuiven naar gaatjes die beter passen, en om gaaien en eekhoorns te verjagen. In het voorjaar is te zien hoe meerdere volwassen vogels hetzelfde nest bevoorraden.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort tot niet bedreigd (LC). Partners in Flight schat de wereldwijde broedpopulatie op ongeveer 7,5 miljoen vogels, maar de aantallen zijn sinds de negentiende eeuw vermoedelijk gedaald door bebouwing en aantasting van eikenbos. Hij is afhankelijk van oude, eikels dragende eiken en van dode bomen voor nest- en voorraadholtes. Concurrentie om nestholtes met de uitheemse spreeuw en het verlies van eikenbos door ziekte, droogte en bouwactiviteiten vormen lokaal een risico.
Wetenschappelijke naam
Melanerpes formicivorus | (Swainson, 1827)
William Swainson beschreef de soort in 1827 als Picus formicivorus, naar vogels uit Temascaltepec in Mexico; omdat ze sindsdien naar een ander geslacht is overgebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Melanerpes, in 1832 door Swainson zelf ingevoerd, komt van het Griekse melas 'zwart' en herpēs 'kruiper'. formicivorus betekent 'mierenetend', van het Latijnse formica 'mier' en vorare 'verslinden', een misplaatste naam: mieren vormen maar een klein deel van zijn voedsel. De soort broedt coöperatief, met groepen van tot vijftien vogels, waarin soms tot acht mannetjes en vier vrouwtjes samen voor één nest zorgen.


