Alle soorten › Zangvogels › Spotlijsters › Rosse spotlijster

Rosse spotlijster | Toxostoma rufum

Brown Thrasher | Cuitlacoche rojizo

De rosse spotlijster is de enige spotlijster die over vrijwel het hele oosten van Noord-Amerika voorkomt. Hij is roestbruin van boven en zwaar gestreept van onderen, en houdt zich het grootste deel van het jaar laag in dicht struweel op, waar hij met de snavel door de bladlaag gooit.

Rosse spotlijster (Toxostoma rufum)
Foto: Wildreturn — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang bestaat uit korte frasen die doorgaans twee keer achter elkaar worden herhaald; de spotlijster herhaalt drie keer of vaker, de katvogel meestal maar één keer. Dat telverschil is het bruikbaarste kenmerk in het veld. Het repertoire van een mannetje is het grootste dat van een Noord-Amerikaanse zangvogel is vastgesteld: ruim duizend liedtypen zijn geteld en schattingen lopen op tot enkele duizenden frasen, deels overgenomen van andere soorten. De roep is een scherp, smakkend tsjak en een langgerekt fluitend tsjoe-rie.

Luister: ZangXC1135939

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · Point Pelee National Park, Essex County, Ontario, Canada · xeno-canto

Herkenning

Roestbruin van kruin tot staartpunt, met twee smalle witte vleugelstrepen. De onderdelen zijn wit tot roomkleurig met dichte, zwartbruine lengtestrepen die tot op de flanken doorlopen. De iris is helder geel, de snavel lang en licht naar beneden gebogen, de staart lang en aan het eind rond. Man en vrouw zijn gelijk gekleurd; jonge vogels hebben een grijzige iris.

Verwarrings­soorten

Van de echte lijsters is hij te scheiden door de lange gebogen snavel, de lange staart en de gele iris: de heremietlijster is kleiner, heeft een korte rechte snavel en ronde in plaats van streepvormige borstvlekken. De langsnavelspotlijster overlapt in Zuid-Texas en heeft een grijzer gezicht, wittere onderdelen, zwaardere zwarte borststrepen en een langere, zwartere, sterker gebogen snavel met een oranje iris. De krombekspotlijster van het zuidwesten is grijsbruin zonder roest en heeft vage, vlekkerige in plaats van scherpe strepen.

Leefgebied

Dicht struikgewas, houtwallen, bosranden, verruigde kapvlakten en verwaarloosde akkerranden. In de Great Plains gaat het om windsingels en beekbegeleidende stroken met katoenpopulier, wilg of kornoelje, in het zuidoosten om jonge opslag na kap en om open eikenland met dichte onderbegroeiing. Hij komt tot in tuinen en parken, maar blijft daar in het dichtste deel en mijdt de directe omgeving van huizen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt van Zuid-Canada — van Alberta oostwaarts tot Nova Scotia — door het hele oosten en midden van de Verenigde Staten tot aan de oostrand van de Rocky Mountains en Centraal-Texas. De noordelijke populaties trekken in september en oktober weg; vanaf ruwweg Virginia, Tennessee en Oklahoma zuidwaarts blijft de soort het hele jaar. In de winter ligt het zwaartepunt in de zuidoostelijke staten en Texas. In Noordoost-Mexico is hij een zeldzame wintergast, ten westen van de Rockies een dwaalgast.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in april en mei, wanneer het mannetje vanaf een kale tak boven het struweel zingt; de rest van het jaar blijft hij onder in de dekking en verraadt hij zich vooral door het ritselen van bladeren. Tel de herhalingen van elke frase — twee is rosse spotlijster — en let op de gele iris, die ook in het halfduister van een houtwal opvalt.

Staat van instandhouding

De soort is niet bedreigd (LC). Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op 6,2 miljoen vogels. De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat tussen 1966 en 2019 een afname van ongeveer 37 procent zien, circa 1 procent per jaar. Twee tegengestelde veranderingen spelen mee: in het landbouwgebied verdwijnen houtwallen en verruigde percelen door schaalvergroting, terwijl elders jong struweel dichtgroeit tot gesloten bos. De soort staat op de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20) van Partners in Flight op 10 van de 20 punten.

Wetenschappelijke naam

Toxostoma rufum | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als [Turdus] rufus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het typemateriaal kwam uit South Carolina. Het geslacht Toxostoma werd in 1831 ingevoerd door Johann Georg Wagler, naar het Griekse toxon 'boog' en stoma 'mond', naar de gebogen snavel. De soortnaam rufum is Latijn voor 'rood'. De Nederlandse naam volgt dezelfde kleur; de Engelse naam thrasher wordt in verband gebracht met de slaande beweging waarmee de vogel de bladlaag opzij gooit.