Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Rouwkopzanger

Rouwkopzanger | Geothlypis tolmiei

MacGillivray's Warbler | Reinita de Tolmie

De rouwkopzanger is de westelijke tegenhanger van de rouwzanger: een zanger van dicht, laag struweel met een volledige grijze kap en twee korte witte boogjes om het oog. Hij broedt van Zuidoost-Alaska tot New Mexico en houdt zich vrijwel altijd in de onderste twee meter van de begroeiing op.

Rouwkopzanger (Geothlypis tolmiei)
Foto: Vickie J Anderson, http://www.wildlifeimagesupclose.com — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een korte, gehaaste reeks van drie tot vijf ruwe, rollende lettergrepen, gevolgd door twee of drie lagere, snel afgeraffelde noten: tsjurrie-tsjurrie-tsjurrie-tsjoe-tsjoe. De klank is droger en harder dan bij de meeste Amerikaanse zangers en het slot valt duidelijk omlaag. De roep is een scherpe, harde tsjik met een metalige bijklank; in dicht struweel is dat vaak het enige wat een vogel verraadt. Ook op doortrek zingen mannetjes, soms honderden kilometers buiten het broedgebied.

Luister: ZangXC1150068

Opname: Greg Irving — CC BY-NC-SA 4.0 · Upper Fish Hatchery Road, Sequim, Clallam County, Washington, United States · xeno-canto

Herkenning

Olijfgroen van boven en geel van onderen, met een grijze kap die kop, hals, keel en bovenborst volledig bedekt. Bij het mannetje is die kap donkerder en heeft de onderkeel een zwartige waas; bij het vrouwtje is hij lichter en bruinig grijs. Waar het op aankomt zijn de twee korte, scherp afgesneden witte boogjes boven en onder het oog, die aan de voor- en achterzijde onderbroken zijn — geen doorlopende ring. De poten zijn vleeskleurig. Eerstejaars vogels hebben een bruinige kap met een lichte keel, maar de oogboogjes blijven zichtbaar.

Verwarrings­soorten

De rouwzanger heeft in de regel helemaal geen oogboogjes, hooguit een vage dunne ring, en de arealen raken elkaar alleen in een smalle strook in de Canadese Rocky Mountains. De Connecticutzanger heeft een volledige, doorlopende witte oogring, is groter en zwaarder, loopt over de grond en heeft lange onderstaartdekveren die tot bijna aan de staartpunt reiken. De gewone maskerzanger heeft nooit een grijze kap: het mannetje draagt een zwart masker, het vrouwtje heeft een olijfkleurige kop en een witte in plaats van gele buik.

Leefgebied

Dicht, laag struweel: wilgen- en elzenopslag langs beken, kapvlakten en brandplekken met opkomend loofhout, bosranden, en ravijnen met framboos, ceanothus en varens, in de bergen tot boven de 3000 meter. Gesloten bos zonder struiklaag mijdt hij, en naaldhoutplantages met kale bodem zijn voor hem leeg. In de overwintering zit hij in vergelijkbare dichte begroeiing: bosranden, schaduwkoffie en ravijnen in bergbos van Midden-Amerika.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt van Zuidoost-Alaska en het zuiden van Yukon door Brits-Columbia en de kust- en bergketens tot Zuid-Californië, en oostwaarts tot de Rocky Mountains van Montana, Wyoming, Colorado en New Mexico, met een geïsoleerde bezetting in de Black Hills. In de nazomer trekt hij door de struwelen van het Zuidwesten en langs de Sierra Madre Occidental naar het overwinteringsgebied, dat loopt van West- en Zuid-Mexico door Midden-Amerika tot Panama. De trek gaat grotendeels over land; hij maakt niet de lange zeeoversteek van veel oostelijke zangers.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem op het gehoor en niet op het oog. In mei en juni zingt het mannetje vanaf een lage tak aan de rand van een wilgenstruweel, meestal lager dan twee meter. Ga aan de rand staan en wacht: de vogel werkt zich vaak dichtbij langs, maar laat zich zelden meer dan een paar seconden zien. In augustus en september verraadt de harde tsjik hem in het doornstruweel van de woestijncanyons in Arizona en New Mexico.

Staat van instandhouding

De soort is niet bedreigd (LC). Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 11 miljoen vogels en geeft de soort 12 van de 20 punten op de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20). De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat tussen 1968 en 2015 een afname van ongeveer 56 procent zien, ruwweg 1,7 procent per jaar; de oorzaak is niet vastgesteld. Plaatselijk neemt hij toe op kapvlakten en brandplekken waar struweel terugkomt, terwijl naaldhoutplantages zonder struiklaag broedgebied wegnemen.

Wetenschappelijke naam

Geothlypis tolmiei | (Townsend, 1839)

Townsend beschreef de soort in 1839 als Sylvia Tolmiei, naar William Fraser Tolmie, arts van de Hudson's Bay Company aan de Columbia; omdat de soort later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De Engelse naam gaat terug op de Schotse ornitholoog William MacGillivray, die door Audubon met deze soort werd geëerd. Geothlypis komt van het Griekse geo 'aarde, grond' en thlypis, een klein vogeltje: 'grondvogeltje', naar de lage leefwijze. De Nederlandse naam verwijst naar de donkere kap, net als bij de nauw verwante rouwzanger.