Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Kentuckyzanger
Kentuckyzanger | Geothlypis formosa
Kentucky Warbler | Reinita de Kentucky
De kentuckyzanger leeft op en vlak boven de bodem van vochtig loofbos in het oosten van de Verenigde Staten. Hij is olijfgroen van boven en geheel geel van onderen, met een zwarte streep die vanaf de snavel over de wang omlaag loopt en een gele ring die als een bril om het oog ligt.
Geluid
De zang is een luide, rollende reeks van vijf tot acht gelijkvormige tweelettergrepige eenheden: tsjurrie-tsjurrie-tsjurrie-tsjurrie, met een volle, fluitende klank die ver door het bos draagt. Hij lijkt op die van de Carolinawinterkoning, maar de eenheden zijn onderling gelijkvormiger en de reeks eindigt abrupt in plaats van met een uithaal. De roep is een lage, doffe tsjok. Het mannetje zingt vanaf een tak tussen ongeveer één en vier meter hoog en herhaalt dezelfde strofe een ochtend lang honderden keren.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Ongestreept olijfgroen van boven en over de hele onderzijde geel, tot en met de onderstaartdekveren. Het mannetje heeft een zwarte kruin met grijze veerpunten, een brede zwarte streep die van de snavelbasis onder het oog langs naar de halszijde loopt, en daartussen een geel vlak dat voor en boven het oog doorloopt en zo een gele bril vormt. Bij het vrouwtje is dat zwart minder uitgebreid en meer olijfgrijs. De poten zijn vleeskleurig, de staart is kort en wordt vaak licht opgewipt. Hij loopt met stappen over de bodem in plaats van te huppen en houdt zich in de kruidlaag op.
Verwarringssoorten
De gewone maskerzanger heeft een zwart masker dat over het voorhoofd doorloopt, geen gele oogring, en een witte buik in plaats van doorlopend geel. De monnikszanger heeft een volledige zwarte kap rond een geel gezicht en witte staartvlekken. De canadazanger is grijs van boven en heeft een halssnoer van zwarte streepjes op de gele borst. De combinatie van effen olijfgroene bovendelen, volledig gele onderdelen zonder streping en de gele bril is binnen de familie eenduidig.
Leefgebied
Vochtig loofbos met een dichte kruid- en struiklaag: beekdalen, ravijnen, hellingbos met struikopslag, randen van moerasbos en stormvlakten waar de ondergroei terugkomt. Hij vraagt grote, aaneengesloten bostracten, in delen van het areaal van meer dan vijfhonderd hectare. Bos waarin de ondergroei is verdwenen — door zware hertenbegrazing of door gelijkjarig bosbeheer — laat hij leeg, ook als de opgaande bomen er nog staan.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van Oost-Texas, Oklahoma en Iowa oostwaarts tot New Jersey, en van de Golfkust noordwaarts tot Zuid-Wisconsin, Zuid-Michigan en Zuid-Pennsylvania; het zwaartepunt ligt in het Ohio- en Mississippidal. In augustus en september steekt hij de Golf van Mexico in één vlucht over. Hij overwintert van Zuid-Veracruz en het Yucatán-schiereiland via de Caribische zijde van Midden-Amerika tot Noord-Zuid-Amerika, in laagland- en heuvellandbos met dichte ondergroei.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De beste kans is eind april en in mei, in het eerste uur na zonsopgang, in een ravijn of beekdal met dichte ondergroei. Zoek eerst de rollende strofe en kijk dan laag, niet in het bladerdak: de zanger zit vrijwel altijd onder de vier meter en houdt zich achter bladeren. Op doortrek langs de Golfkust zit hij in april in de kustbosjes, vaak samen met andere pas overgestoken zangers.
Staat van instandhouding
Partners in Flight schat de broedpopulatie op ongeveer 2,6 miljoen vogels; de Breeding Bird Survey geeft tussen 1966 en 2019 een afname van 0,69 procent per jaar, waarmee de soort op de gele waarschuwingslijst staat en 14 van de 20 punten krijgt op de score voor continentale zorg. De knelpunten zijn ontbossing in het overwinteringsgebied in Mexico en Midden-Amerika, het verdwijnen van de ondergroei in het broedbos door hoge hertendichtheden en gelijkjarig beheer, aanvaringen met gebouwen tijdens de nachtelijke trek, en predatie door katten op de plek waar hij foerageert.
Wetenschappelijke naam
Geothlypis formosa | (Wilson, 1811)
Alexander Wilson beschreef de soort in 1811 als Sylvia formosa; door de latere geslachtswisseling staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton formosa is Latijn voor 'welgevormd'. De typelocatie is Kentucky, en daar gaan zowel de Engelse als de Nederlandse naam op terug, hoewel het broedgebied veel groter is dan die ene staat. Geothlypis komt van het Griekse geo 'aarde, grond' en thlypis, een klein vogeltje, naar de leefwijze vlak boven de bodem.




