Alle soorten › Stormvogelachtigen › Albatrossen › Stellers albatros

Stellers albatros | Phoebastria albatrus

Short-tailed Albatross | Albatros colicorto

De Stellers albatros is de grootste albatros van de Noordelijke Grote Oceaan en tegelijk de zeldzaamste van de drie soorten die de Amerikaanse westkust bereiken. Rond 1900 werd hij bijna uitgeroeid door de verenjacht op zijn broedeilanden bij Japan, en van die ramp is hij nog altijd niet hersteld.

Stellers albatros (Phoebastria albatrus)
Foto: U.S. Fish and Wildlife Service — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Op de broedkolonie maakt de soort net als andere albatrossen een luid snavelgeklepper tijdens de balts, aangevuld met diepe, loeiende en kreunende geluiden. Op zee, ver van de kolonies, is hij zoals alle albatrossen vrijwel stil.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Volwassen vogels zijn overwegend wit met een geel wasachtig waas op kop en nek, een zwarte staart en een dikke, roze snavel met een blauwe punt. De bovenvleugel is voor ongeveer de helft wit en voor de helft zwart, in tegenstelling tot de vrijwel geheel donkere bovenvleugel van de laysanalbatros. Jonge vogels zijn geheel chocoladebruin, met alleen de dikke roze snavel als aanwijzing voor de soort; pas na drie tot vier jaar verschijnt wit op gezicht, onderdelen en ondervleugel, en pas na acht tot tien jaar is het volwassen kleed compleet.

Verwarrings­soorten

Jonge Stellers albatrossen worden vaak verward met de zwartvoetalbatros en met jonge laysanalbatrossen, die allebei veel kleiner zijn en een dunnere, donkere snavel hebben. De dikke, roze snavel met blauwe punt is in elk kleed het beste kenmerk. Volwassen vogels zijn door hun formaat en de gele waas op de kop nauwelijks te verwarren.

Leefgebied

Hij broedt op steile, begroeide vulkaanhellingen van een handvol eilanden bij Japan, ver buiten dit gidsgebied. Buiten het broedseizoen leeft hij op open zee en boven de rand van het continentaal plat, waar hij inktvis, vis en kreeftachtigen van het oppervlak pikt, vaak in het kielzog van vissersschepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Vrijwel de gehele wereldpopulatie broedt op Torishima en de Senkaku-eilanden bij Japan. Niet-broedende en jonge vogels trekken in de zomer in kleine aantallen naar de Beringzee en de wateren rond de Aleoeten, met verspreide waarnemingen zuidelijker tot voor Californië. Voor de jacht rond 1900 was de soort een gewone verschijning voor de hele westkust van Noord-Amerika; van die talrijkheid is nu nog maar een fractie over.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in de zomer op een pelagische boottocht in de Aleoeten of de Beringzee, waar hij in kleine aantallen tussen andere buisneuzen opduikt; verder zuidelijk, voor Californië, is elke waarneming een zeldzaamheid die het melden waard is.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie is teruggegroeid tot enkele duizenden vogels en neemt met bijna tien procent per jaar toe, maar blijft een fractie van de miljoenen van vóór de verenjacht. De soort staat te boek als kwetsbaar (VU); bijvangst in de lijnvisserij en het risico van een vulkaanuitbarsting op het belangrijkste broedeiland blijven de grootste bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Phoebastria albatrus | (Pallas, 1769)

De Duitse natuuronderzoeker Peter Simon Pallas beschreef de soort in 1769 als Diomedea albatrus; ze is sindsdien in het geslacht Phoebastria geplaatst, vandaar de haakjes om auteur en jaartal. De typelocatie ligt op zee voor Kamtsjatka, waar Pallas het eerste exemplaar bemachtigde. De Nederlandse naam eert de ontdekkingsreiziger Georg Wilhelm Steller, die de soort als eerste Europeaan waarnam en noteerde, tijdens Vitus Berings tweede Kamtsjatka-expeditie.