Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Suikerdiefje
Suikerdiefje | Coereba flaveola
Bananaquit | Platanero
Het suikerdiefje is een kleine nectareter met een dunne, naar beneden gebogen snavel, een witte wenkbrauwstreep over een zwarte kruin en gele borst, buik en stuit. Binnen dit gidsgebied is het een vogel van de Caraïben en de tropische Atlantische kust: standvogel op de Bahama's, Jamaica, Hispaniola, Puerto Rico en de Kleine Antillen, en langs de Caraïbische kust van Mexico tot Nicaragua. Van Cuba ontbreekt hij, en het vasteland van de Verenigde Staten bereikt hij alleen als dwaalgast in Zuid-Florida.
Geluid
De zang is een hoge, ijle reeks van sisklanken en droge ratels, ongeveer tsie-tsie-tsjrrrr-tsie, met een insectachtige klank die door een groot deel van het jaar te horen is. Het geluid draagt niet ver en is bij verkeer of branding snel weg. Daarnaast klinkt een scherp, kort tsit als contactroep, vaak herhaald terwijl de vogel van bloem naar bloem springt. Mannetjes zingen van een uitstekende tak of een draad, meestal vanaf zonsopgang.
Opname: José María Loaiza B. — CC BY-NC-SA 4.0 · Distrito Metropolitano de Quito, Pichincha, Parroquia Nanegalito, Nueva Granada, Hacienda Los Yumbos, Ecuador · xeno-canto
Herkenning
Klein, kortstaartig en vrijwel altijd in beweging. De meeste ondersoorten zijn donkergrijs van boven met een zwarte kruin en zwarte kopzijden, een brede witte wenkbrauwstreep, een grijze keel en een gele borst, buik en stuit; aan de basis van de handpennen zit een kleine witte vleugelvlek. De snavel is dun, spits en duidelijk naar beneden gebogen, met een roze mondhoek. De ondersoorten verschillen sterk: die van de Bahama's heeft een bleke keel en minder geel, en op enkele eilanden van de Kleine Antillen komen geheel zwarte vogels voor.
Verwarringssoorten
Geen andere soort in het gebied combineert een gebogen snavel met een witte wenkbrauwstreep en gele onderdelen. Amerikaanse zangers met gele onderdelen hebben een rechte, fijne snavel en missen de zwarte kruin met witte streep; ze foerageren bovendien tussen het blad in plaats van met de snavel in de bloembasis. Kolibries hebben een veel langere snavel, hangen stil in de lucht en gaan niet op de bloem zitten. De bleke Bahamaanse vorm lijkt op afstand het meest op een zanger, maar de snavelvorm blijft beslissend.
Leefgebied
Open tot halfopen terrein waar planten bloeien: tuinen, parken, hotelterreinen, bosranden, struweel, koffie- en fruitplantages en mangrove. Dichte, gesloten bossen mijdt hij, net als woestijn en hoogland boven ongeveer 2000 meter. Hij is aangewezen op nectar en zoete vloeistof en steekt de bloembasis van opzij aan als de bloem te lang is voor zijn snavel; daarnaast eet hij kleine vruchten en insecten. Suikerpotten op terrassen en suikerwaterbuizen voor kolibries worden dagelijks bezocht.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel zonder trek. Binnen dit gidsgebied broedt hij op de Bahama's en de Turks- en Caicoseilanden, op Jamaica, Hispaniola, Puerto Rico en de Caymaneilanden, op Aruba, Curaçao en Bonaire, en op het vasteland van Quintana Roo en Cozumel zuidwaarts door Belize, Guatemala, Honduras en Nicaragua; verder naar het zuiden loopt het areaal door tot in Zuid-Amerika. Cuba is een gat in de verspreiding. Vogels van de Bahama's steken af en toe over naar Zuid-Florida, waar de waarnemingen zich vooral in het winterhalfjaar concentreren.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in de vroege ochtend bij een bloeiende heester of een suikerwaterbuis in een tuin of hotelpark: op zulke plekken komt hij om de paar minuten terug. Let op het gedrag — hij klemt zich zijwaarts aan de bloem vast in plaats van ervoor te blijven hangen. De gebogen snavel en de witte wenkbrauwstreep zijn ook in tegenlicht te zien.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek. Het areaal is groot en de aantallen zijn stabiel tot toenemend, mede doordat tuinen, parken en plantages geschikt terrein opleveren. De eilandondersoorten hebben elk een klein areaal en zijn daarmee gevoeliger voor orkanen en voor het verdwijnen van bloemrijke begroeiing; voor het geheel van de soort levert dat geen knelpunt op.
Wetenschappelijke naam
Coereba flaveola | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Certhia flaveola, naar een exemplaar uit Jamaica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Coereba werd in 1809 ingevoerd door Vieillot en gaat terug op een Tupi-naam voor kleine zwart-gele vogels. De soortnaam flaveola is een verkleinvorm van het Latijnse flavus 'goudgeel'. De Nederlandse en Engelse namen verwijzen naar het bezoek aan suikerpotten en bananen op terrassen; de Spaanse naam Platanero betekent letterlijk 'bananenvogel'.




