Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Morelets dikbekje

Morelets dikbekje | Sporophila morelleti

Morelet's Seedeater | Semillero cuelliblanco

Morelets dikbekje is een van de kleinste zangvogels van Noord-Amerika: een zaadeter van nog geen elf centimeter met een kort, dik en sterk gebogen snaveltje. Binnen de Verenigde Staten houdt hij één smalle strook bezet, het rietland langs de Rio Grande in Zuid-Texas; het grootste deel van het areaal ligt in Oost-Mexico en Midden-Amerika. De soort werd tot voor kort samen met het kaneelstuitdikbekje als één soort gezien.

Morelets dikbekje (Sporophila morelleti)
Foto: Cephas — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks heldere, oplopende fluittonen die na vier of vijf noten in een lager, snel ratelend slot overgaat; hij wordt vanaf een rietpluim, een grasstengel of een lage struik gebracht en met korte tussenpozen herhaald. De roep is een hoog, wat klagend tsjie of tsjiew, dat in een foeragerende groep voortdurend klinkt en vaak het enige is wat je van de vogels merkt. Mannetjes zingen vooral van maart tot juli.

Luister: ZangXC1035686

Opname: Bobby Wilcox — CC BY-NC-SA 4.0 · Reserva Natural Estatal Arroyo Moreno, Mexico · xeno-canto

Herkenning

Het volwassen mannetje heeft een zwarte kruin en zwarte kopzijden, een witte keel en een witte halsband die tot op de zijhals doorloopt, een zwarte rug en zwarte vleugels met twee witte vleugelstrepen en een witte vleugelvlek; over de borst loopt een onderbroken zwarte band, en de onderdelen zijn wit of bij een deel van de vogels lichtbruin. Het vrouwtje is olijfbruin van boven en warm lichtbruin van onderen, zonder kop- of borsttekening, maar met dezelfde twee lichte vleugelstrepen op donkergrijze vleugels. Bij beide geslachten is het snaveltje kort, hoog en met een duidelijk gebogen bovensnijrand; daarmee stroopt de vogel zaad van grasaren.

Verwarrings­soorten

Het kaneelstuitdikbekje, dat de Pacifische helling van Mexico bezet en niet samen met deze soort voorkomt, heeft bij het mannetje een kaneelkleurige stuit en kaneelkleurige onderdelen. Vrouwtjes en jonge vogels worden op afstand voor jonge indigogorzen of vrouwelijke witbandsijzen gehouden; het gebogen, hoge snaveltje, het geringe formaat en de effen lichtbruine onderdelen zonder streping scheiden ze. Een vrouwelijke huismus is groter, grover gestreept op de rug en heeft een rechte snavel. Zit de vogel in riet of hoog gras langs de Rio Grande, dan is de combinatie van formaat en snavelvorm doorslaggevend.

Leefgebied

Riet, hoog gras, suikerriet en kruidenrijke ruigte in natte laagten, vooral in de overstromingsvlakte van rivieren en langs oevers, sloten en irrigatiekanalen. Daarnaast weiden, braakland, akkerranden en verruigd terrein langs wegen tot ongeveer 1500 meter. Gesloten bos wordt gemeden; waar het bos openvalt door kap of stormschade verschijnt de soort juist wel. In Texas gaat het vrijwel alleen om het reuzenriet en de kruidenrijke oever langs de Rio Grande zelf.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het areaal loopt van Zuid-Texas langs de Golfhelling van Mexico — Tamaulipas, San Luis Potosí, Veracruz, Oaxaca, Tabasco, Chiapas en het schiereiland Yucatán — door Belize, Guatemala, El Salvador, Honduras en Nicaragua en verder zuidwaarts tot Panama, buiten dit gidsgebied. In Texas was de soort tot ongeveer 1946 wijdverbreid van Laredo tot Corpus Christi; daarna volgde een sterke afname, en sinds de jaren zestig beperkt het broeden zich vrijwel tot Zapata County bij San Ygnacio, met losse waarnemingen in de aangrenzende counties Webb, Starr en Cameron. In het midden van de jaren negentig ging het om zeven tot negen broedparen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem van april tot juli langs de Rio Grande bij San Ygnacio of in de rivierparken van Laredo, vroeg op de ochtend, en ga op de zang af: het oplopende fluitje met ratelend slot draagt verder dan de vogel zichtbaar is. Kijk naar de toppen van de rietpluimen en de grasaren — daar klimt hij op om zaad af te stropen, terwijl hij verder diep in de begroeiing blijft.

Staat van instandhouding

Over het hele areaal is de soort algemeen en staat ze als niet bedreigd (LC) te boek. In Texas is de situatie anders: de kerstvogeltellingen leggen de teruggang vast — twee tellingen in 1949 gaven samen 107 vogels, terwijl zes tellingen vanaf 1965 er nog één opleverden. Het verdwijnen van de kruidenrijke oevervegetatie langs de Rio Grande door bestrijdingsmiddelen, begrazing en het vrijmaken van de rivierbedding geldt als de belangrijkste oorzaak; werkzaamheden aan de grensbarrière raken dezelfde stroken. Behoud van het riet en de ruigte direct langs de rivier bepaalt of de Texaanse populatie standhoudt.

Wetenschappelijke naam

Sporophila morelleti | (Bonaparte, 1850)

Charles Lucien Bonaparte beschreef de soort in 1850 als Spermophila morelleti, naar een exemplaar uit Petén in Guatemala; omdat ze later in Sporophila is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De geslachtsnaam Sporophila komt van het Griekse sporos 'zaad' en philos 'liefhebbend'. De soortnaam eert de Franse natuuronderzoeker Pierre Marie Arthur Morelet, die in Midden-Amerika verzamelde; de dubbele l in morelleti is een verschrijving van Bonaparte die volgens de nomenclatuurregels gehandhaafd blijft. De soort heette eerder witkraagdikbekje, samen met het kaneelstuitdikbekje.