Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Gewone saffraangors

Gewone saffraangors | Sicalis flaveola

Saffron Finch | Chirigüe azafranado

De gewone saffraangors is een gele zaadeter uit Zuid-Amerika die als kooivogel over de wereld is verspreid en op Hawaï, Puerto Rico en Jamaica ingeburgerde populaties heeft. Binnen dit gidsgebied is hij dus overal een exoot; van nature komt hij ten zuiden van het Amazonebekken en langs de noordkust van Zuid-Amerika voor.

Gewone saffraangors (Sicalis flaveola)
Foto: Evelimlamaiara — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een korte, snelle reeks heldere, kwetterende notities die met weinig variatie steeds opnieuw wordt herhaald, vaak enkele minuten achtereen vanaf een dakrand, draad of paaltop. De roep is een kort, scherp tsjip, dat in een foeragerende groep voortdurend klinkt. Mannetjes zingen het hele jaar door, maar het meest in de weken voor het broeden.

Luister: ZangXC1163155

Opname: Jacob Wijpkema — CC BY-NC-SA 4.0 · Puerto Suarez (near Buyú), Provincia de Germán Busch, Departamento de Santa Cruz, Bolivia · xeno-canto

Herkenning

Het volwassen mannetje is over het hele lichaam geel, dieper op de onderdelen, met een oranje aanslag op het voorhoofd en de kruin en een olijfgroene waas op de rug; de vleugels zijn donker met gele randen. De snavel is kegelvormig, kort en grijs met een bleke basis. Het vrouwtje van de noordelijke ondersoorten lijkt op een doffer mannetje, terwijl vrouwtjes van de zuidelijke ondersoorten olijfbruin zijn met donkere strepen op borst en rug. Jonge vogels zijn grijsbruin met streping en een gele band over de borst; ze krijgen het volledig gele kleed pas in het tweede jaar.

Verwarrings­soorten

Op Hawaï is de mozambiquesijs de belangrijkste verwarringssoort: die is kleiner, groen van boven, met een geel-en-grijs getekende kop, gestreepte flanken en geen oranje op de kruin, terwijl het mannetje van de saffraangors over kop en onderdelen geheel geel is met een oranje voorhoofd. Gestreepte jonge saffraangorzen lijken op vrouwelijke gorzen en mussen; let dan op het gele waas op de borst en het ontbreken van kop- en keeltekening. Een kegelsnavel zonder haakpunt scheidt de soort van de eveneens gele, maar veel grotere en anders getekende troepialen.

Leefgebied

Open en halfopen laagland met korte vegetatie: weilanden, akkerranden, bermen, golfbanen, parken, erven en dorpen. Hij broedt in holten — verlaten nesten van andere soorten, holle palmstompen, holle bamboestengels, gaten in muren en ruimten onder dakpannen — en bouwt zelf geen bolvormig nest. Dicht bos en hoge bergen mijdt hij; op Hawaï zit hij vooral in het droge laagland aan de lijzijde van de eilanden, tot ongeveer 1500 meter.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het oorspronkelijke areaal ligt in Zuid-Amerika, in twee gescheiden delen: de noordkust van Colombia, Venezuela en de Guyana's, en een groot gebied van Oost-Brazilië en Bolivia tot Paraguay, Uruguay en Noord-Argentinië. Binnen dit gidsgebied gaat het alleen om ingevoerde populaties: op Hawaï sinds de jaren zestig, met de grootste aantallen op het eiland Hawaï en op Oʻahu; op Puerto Rico en op Jamaica eveneens uit ontsnapte of losgelaten kooivogels. Waarnemingen in Florida en elders in de Verenigde Staten betreffen ontsnapte vogels zonder vaste populatie.

  • Jaarrond
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem op Hawaï langs de droge kustwegen en op grasvelden van resorts en golfbanen, waar groepjes op de grond naar zaad zoeken en bij verstoring gezamenlijk naar een draad of dakrand opvliegen. Het kwetterende liedje vanaf een dakrand is in bewoond gebied vaak het eerste signaal.

Staat van instandhouding

In het oorspronkelijke areaal is de soort algemeen en wordt de trend als stabiel ingeschat; de IUCN plaatst haar in de categorie niet bedreigd (LC). De vangst voor de kooivogelhandel is regionaal aanzienlijk. De ingevoerde populaties op Hawaï, Puerto Rico en Jamaica breiden zich uit en zijn niet aan beperkingen onderhevig; welke uitwerking ze op inheemse zaadeters hebben is niet onderzocht, maar ze bezetten vooral door de mens gemaakt laagland en niet het inheemse bos.

Wetenschappelijke naam

Sicalis flaveola | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Fringilla flaveola, zonder vindplaats; Suriname is later als typelocatie aangewezen. Omdat ze nu in Sicalis staat, gaan auteur en jaartal tussen haakjes. De geslachtsnaam Sicalis komt van het Griekse sikalis, een naam voor een kleine vogel bij de klassieke auteurs. De soortnaam flaveola is een Latijnse verkleinvorm van flavus 'geel' en betekent dus 'geelachtig'. De Nederlandse naam volgt de saffraangele kleur, net als het Spaanse azafranado.