Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Blauwe Suikervogel

Blauwe Suikervogel | Cyanerpes cyaneus

Red-legged Honeycreeper | Mielerito patirrojo

De blauwe suikervogel is een kleine tropische vrucht- en nectarvogel met een dunne, gebogen snavel en felrode poten. Hij is algemeen in het laagland van Zuid-Mexico en Midden-Amerika; ten noorden daarvan geldt hij als dwaalgast, en bij elk exemplaar in Texas of Florida speelt de vraag of het om een ontsnapte kooivogel gaat.

Blauwe Suikervogel (Cyanerpes cyaneus)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De stem is hoog, dun en nasaal, en klinkt vrijwel onophoudelijk zolang een groepje in een vruchtdragende boom foerageert: een ijl tsie of een zeurderig tsjie-tsjie, te zwak om ver te dragen. Een zang in de gewone zin heeft de soort nauwelijks; wat als schemerzang wordt beschreven, is een zachte, onregelmatige aaneenschakeling van dezelfde piepjes en wordt zelden gehoord.

Luister: RoepXC1027575

Opname: JAYRSON ARAUJO DE OLIVEIRA — CC BY-NC-SA 4.0 · Reserva Fazenda Capivara - Santo Antônio de Goiás, Brazil · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje in broedkleed is paarsblauw met een lichtblauwe, turkooiskleurige kruin, zwarte vleugels, zwarte rug en zwarte teugel en oogstreep; de poten zijn helderrood en de onderzijde van de vleugel is geel, wat pas in de vlucht opvalt. Na het broedseizoen ruit het mannetje in een groen kleed dat op dat van het vrouwtje lijkt, maar de zwarte vleugels en de rode poten blijven. Het vrouwtje is dof olijfgroen van boven, geelgroen en vaag gestreept van onderen, met bruinrode poten. De snavel is bij beide dun, spits en licht naar beneden gebogen.

Verwarrings­soorten

De blauwe suikervogel is in zijn areaal niet met veel te verwarren. Het mannetje van de purperen suikervogel is dieper paars zonder lichte kruin en heeft gele in plaats van rode poten. Groene mannetjes in ruikleed en vrouwtjes lijken op het suikerdiefje, maar dat heeft een witte wenkbrauwstreep en een witte vleugelvlek. In de Verenigde Staten is de eerste vraag bij elke waarneming niet de determinatie maar de herkomst: de soort wordt veel als kooivogel gehouden.

Leefgebied

Bosrand, secundair bos, open bos met verspreide bomen, plantages en tuinen in het warme laagland, plaatselijk tot ongeveer 2000 meter. Vruchtdragende bomen en bloeiende Erythrina en Inga bepalen waar de vogels zitten; groepjes zwerven van boom tot boom. Hij mijdt het gesloten inwendige van hoog regenwoud en houdt zich juist op waar het bos openvalt, langs wegen, rivieroevers en savanne met boomgroepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het areaal loopt van Zuid-Mexico — de Golfhelling vanaf Zuid-Tamaulipas en Veracruz, Oaxaca, Chiapas en het schiereiland Yucatán — door heel Midden-Amerika en verder door het noorden van Zuid-Amerika tot Bolivia en Brazilië, en op Trinidad en Tobago. Op Cuba bestaat een ingeburgerde populatie die uit ontsnapte kooivogels is ontstaan. In de Verenigde Staten zijn er losse waarnemingen uit Zuid-Texas, Louisiana en Florida; die worden meestal niet als wilde vogels aanvaard.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek naar bewegende groepjes in een vruchtdragende boom of in bloeiende Erythrina aan de bosrand, op de eerste uren na zonsopgang. Let op de poten: de heldere roodkleur blijft het hele jaar zichtbaar en werkt ook bij groene ruivogels en vrouwtjes, wanneer het blauw van het mannetje geheel weg is.

Staat van instandhouding

De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek, is over een groot areaal verspreid en profiteert van open, aangetaste landschappen, zodat de populatie stabiel tot toenemend wordt ingeschat. Op regionale schaal is de handel in kooivogels een factor: de soort wordt gevangen en verhandeld, wat lokaal aantallen wegneemt en tegelijk de ingeburgerde populatie op Cuba en de losse waarnemingen in de Verenigde Staten verklaart.

Wetenschappelijke naam

Cyanerpes cyaneus | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Certhia cyanea, naar een exemplaar uit Suriname; omdat ze later in Cyanerpes is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De geslachtsnaam Cyanerpes komt van het Griekse kuanos 'donkerblauw' en herpēs 'kruiper', naar de manier waarop de vogels langs takken en bloemen klauteren. De soortnaam cyaneus betekent eveneens 'donkerblauw'. De Engelse naam Red-legged Honeycreeper noemt de rode poten, de Nederlandse en Spaanse naam de blauwe kleur van het mannetje.