Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Westelijke schreeuwuil
Westelijke schreeuwuil | Megascops kennicottii
Western Screech-Owl | Tecolote del Oeste
De westelijke schreeuwuil is de kleine grijze uil van het westen: even hoog als een verrekijker, met een vierkante kop, korte staart en oorpluimen. Zijn naam klopt niet — hij schreeuwt nooit, maar laat een reeks korte fluittonen horen die versnelt als een stuiterende bal die tot stilstand komt. Hij eet vrijwel alles wat hij aankan, van regenwormen en rivierkreeften tot ratten, vleermuizen en konijnen die zwaarder zijn dan hijzelf.
Geluid
De zang is een reeks van een stuk of tien korte, holle fluittonen op gelijke toonhoogte, die steeds sneller achter elkaar komen: poe… poe… poe-poe-poe-poe-poeroe, het ritme van een stuiterende bal die uitrolt. De toonhoogte verandert daarbij niet, alleen het tempo — dat onderscheidt hem van elke andere kleine uil in zijn areaal. Daarnaast is er een tweede zang, de dubbele triller: een korte roffel onmiddellijk gevolgd door een langere, die een paar gebruikt om contact te houden. Het mannetje roept lager dan het vrouwtje, en bij verstoring klinken scherpe blafjes.
Opname: David Tattersley — CC BY-NC-SA 4.0 · Silver City, Grant County, New Mexico, United States · xeno-canto
Herkenning
Een kleine, gedrongen uil met een bijna vierkante kop, geen zichtbare hals, een korte staart en oorpluimen die bij onrust rechtop gaan staan en verder plat liggen. Het verenkleed is grijs tot grijsbruin, fijn gemarmerd met zwarte lengtestrepen en dwarsstreepjes die precies op boomschors lijken; een roodbruine kleurvorm bestaat bij deze soort niet. Regionaal verschillen de vogels: bleek en zandkleurig in de Mojave, donker en bruinig aan de vochtige noordwestkust. De ogen zijn geel, de snavel donkergrijs tot zwartachtig. Mannetje en vrouwtje zien er gelijk uit, met het vrouwtje als de zwaardere; overdag drukt hij zich met platgestreken veren tegen een stam, waar hij vrijwel onvindbaar wordt.
Verwarringssoorten
De oostelijke schreeuwuil (Megascops asio) is bijna niet van hem te onderscheiden op uiterlijk; de arealen raken elkaar alleen langs de Rio Grande in West-Texas en op de oostelijke vlakten van Colorado. Let daar op de snavel — bij de westelijke donkergrijs tot zwart, bij de oostelijke bleek geelgroen — en op het ontbreken van een roodbruine vorm in het westen; de stem beslist hoe dan ook, want de oostelijke hinnikt en snort en versnelt nooit. De gevlekte schreeuwuil (Megascops trichopsis) overlapt in het zuidoosten van Arizona en het zuidwesten van New Mexico: die is iets kleiner, grover dwarsgebandeerd op de onderdelen, heeft een blekere olijfgele snavel en roept een gelijkmatige reeks toetjes of een morse-achtig ritme, nooit een versnellende bal. De ponderosadwergooruil (Psiloscops flammeolus) is veel kleiner, heeft donkerbruine ogen en roept één lage noot.
Leefgebied
Vooral linten van loofbomen langs canyons, beken en rivieren — populier, esp, els, eik — en verder woestijn met saguaro's (de grote zuilcactus van de Sonorawoestijn), dennen-jeneverbesbos, kustnaaldbos en het oude opgaande groen van tuinen, parken en dorpen. De soort is een holenbroeder zonder eigen beitel: oude spechtengaten, natuurlijke rotplekken en nestkasten bepalen waar hij zitten kan. Gesloten, hoog bos waar de Amerikaanse oehoe heerst, wordt gemeden. Hij komt voor van zeeniveau tot ongeveer 1.800 meter.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van het westen van Noord-Amerika, van zuidoostelijk Alaska en de kust van Brits-Columbia zuidwaarts door Washington, Oregon, Idaho, Californië en het Grote Bekken tot Arizona, New Mexico, West-Texas en de beide schiereilanden van Neder-Californië, en verder tot in centraal Mexico. Hij trekt niet en houdt jaarrond hetzelfde territorium; alleen jonge vogels zwerven in hun eerste najaar over korte afstand. Lang werd hij met de oostelijke schreeuwuil als één soort beschouwd; in de jaren tachtig van de vorige eeuw zijn ze op grond van de stem uit elkaar gehaald. In het Amerikaanse noordwesten is hij sinds de aankomst van de gestreepte bosuil op veel plaatsen zeldzamer geworden.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem na donker langs een beekbos of een canyonbodem met oude populieren, en luister naar de versnelling aan het eind van de reeks; dat is het kenmerk waaraan je hem hoort, niet de toonhoogte. In de woestijn levert een oude saguaro met een spechtengat op ooghoogte tot twee meter boven je hoofd vaak een vogel op die in de opening zit. Roep hem niet na met een geluidsopname op een plek waar veel vogelaars komen: territoriale vogels reageren dan steeds zwakker en verlaten uiteindelijk de holte.
Staat van instandhouding
Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) raamt de populatie op ongeveer 180.000 vogels en beoordeelt de zorg als betrekkelijk laag, met een licht dalende trend sinds 1966; de IUCN beschouwt de soort als niet bedreigd (LC). De duidelijkste bedreiging zit in het noordwesten: de gestreepte bosuil, die zich sinds de twintigste eeuw westwaarts heeft uitgebreid, eet deze soort en heeft haar uit delen van Brits-Columbia en de Puget Sound-streek doen verdwijnen. Daarnaast tellen het verdwijnen van beekbegeleidend hout en van dode staande bomen met holtes, en bebouwing in hoge dichtheid. Nestkasten in oud tuingroen of beekbos worden vlot in gebruik genomen.
Wetenschappelijke naam
Megascops kennicottii | (Elliot, 1867)
Elliot beschreef de soort in 1867 als Scops Kennicottii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Megascops werd in 1848 ingevoerd door Kaup, uit het Griekse megas, 'groot', en skōps, 'uiltje'. De soortnaam kennicottii eert Robert Kennicott, de Amerikaanse natuuronderzoeker die in Alaska en het noordwesten verzamelde en daar in 1866 op dertigjarige leeftijd overleed, kort voor de beschrijving van M. kennicottii verscheen. Het beschreven exemplaar kwam uit Sitka, Alaska.




