Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Oostelijke schreeuwuil
Oostelijke schreeuwuil | Megascops asio
Eastern Screech-Owl | Tecolote del Este
De oostelijke schreeuwuil is de kleine uil van het oosten van Noord-Amerika: gedrongen, kortstaartig, met een grote kop en scherpe oorpluimen. Hij schreeuwt niet, ondanks zijn naam — hij hinnikt, in een dalende triller die aan een klein paard doet denken. Van alle Amerikaanse uilen is hij het best bestand tegen de stad: in voorsteden en parken zitten vaak meer paren per vierkante kilometer dan in het boerenland eromheen.
Kleedvormen

Geluid
Twee zangen, allebei zonder enige schreeuw. De bekendste is het gehinnik: een tremolo die in toonhoogte daalt en golft, ruim een seconde lang, precies het geluid van een klein paard in de verte. De tweede is een vlakke, snorrende triller op één toon die drie tot vijf seconden aanhoudt; die gebruikt een paar onderling en bij het nest. Het mannetje is kleiner dan het vrouwtje maar roept dieper, zodat de twee vogels van een paar aan hun toonhoogte te onderscheiden zijn. Daarnaast klinken blafjes, een hoog gejank en het klappen met de snavel bij een indringer.
Opname: Noah Khanti Steinberg — CC BY-NC-SA 4.0 · Kissimmee, Osceola County, Florida, United States · xeno-canto
Herkenning
Een kleine, stevig gebouwde uil met een grote, brede kop, vrijwel geen hals en een korte, vierkante staart; de oorpluimen worden vaak recht overeind gezet, maar kunnen ook helemaal plat liggen. Het verenkleed komt in twee vaste kleurvormen voor: grijs en roodbruin, met daarnaast bruine tussenvormen. Ongeveer een derde van de vogels is rood, in het zuidoosten meer en aan de westrand van het areaal minder dan vijftien procent; beide vormen komen in één nest voor. De ogen zijn geel, de snavel bleek geelgroen, en de onderdelen dragen zware zwarte lengtestrepen met daar dwars doorheen fijne banden. Mannetje en vrouwtje zien er gelijk uit; het vrouwtje is de zwaardere van de twee, en de vlucht is recht en geluidloos op korte, ronde vleugels.
Verwarringssoorten
De westelijke schreeuwuil (Megascops kennicottii) is vrijwel gelijk van bouw en tekening; de arealen raken elkaar alleen in een smalle strook langs de Rio Grande in West-Texas en op de oostelijke vlakten van Colorado. Twee dingen beslissen: de oostelijke heeft een bleke geelgroene snavel en kent een roodbruine kleurvorm, de westelijke heeft een donkergrijze tot zwarte snavel en is nooit rood. Het zekerste verschil is de stem — gehinnik en snorrende triller tegenover een versnellende reeks korte fluittonen, en die twee lijken in het geheel niet op elkaar. De Amerikaanse oehoe (Bubo virginianus) heeft dezelfde vorm maar is vijf keer zo zwaar, en de ransuil is veel slanker, langer van vleugel en heeft een roestoranje gezicht met een witte X.
Leefgebied
Loofbos en gemengd bos met open ondergroei, maar vooral de halfopen boomlaag van voorsteden, stadsparken, kerkhoven, boomgaarden en erven. Op de Great Plains volgt hij de beboste beek- en rivierdalen tot ver in het grasland. Wat hij nodig heeft is een holte — een oude spechtenholte, een rotte tak, een nestkast — met bomen eromheen; kale akkers zonder opgaand hout gebruikt hij niet. Hij mijdt terrein waar de Amerikaanse oehoe vast verblijft, want die eet hem.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel in heel het oosten van Noord-Amerika, van zuidelijk Ontario, Quebec en Manitoba zuidwaarts tot Florida en de Golfkust, en westwaarts tot de oostelijke vlakten van Montana, Colorado en New Mexico en verder tot in noordoostelijk Mexico. Hij trekt niet; jonge vogels zwerven in hun eerste najaar, maar volwassen vogels blijven hun leven lang in hetzelfde territorium. Op de prairie is hij in de twintigste eeuw met de aanplant van windsingels en stadsbomen westwaarts opgeschoven, en in het noordoosten volgt hij de voorsteden. Bij zware, langdurige sneeuwwinters vallen in het noorden van het areaal gaten die pas na enkele jaren weer worden gevuld.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop in maart of april een half uur na zonsondergang langs een parkrand of een oude begraafplaats met zware bomen en luister naar het dalende gehinnik; het draagt niet ver, dus kom dicht bij het bosje. Overdag is hij te vinden door de ingang van een nestkast of een holte in het oog te houden: hij zit vaak in de opening te zonnen, met de oorpluimen plat en de ogen tot spleetjes geknepen. Waar blauwe gaaien, mezen en boomklevers plotseling gezamenlijk gaan schelden in één boom, zit vaak precies daar een schreeuwuil.
Staat van instandhouding
De soort is niet bedreigd (LC); Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) raamt de populatie op ongeveer 560.000 vogels en beoordeelt de zorg als laag, maar de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling laat tussen 1966 en 2019 wel een afname van bijna een procent per jaar zien, samen ruim een derde. Hij is een generalist die zowel bij mensen als in bos overleeft, en voorstedelijke paren brengen gemiddeld meer jongen groot dan paren op het platteland. De knelpunten zijn het verdwijnen van holle en dode bomen, aanrijdingen langs wegen waar hij laag overheen jaagt, en predatie door de Amerikaanse oehoe. Nestkasten met een marterwering worden snel en betrouwbaar bezet.
Wetenschappelijke naam
Megascops asio | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Strix Asio; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Megascops werd in 1848 ingevoerd door Kaup en is gevormd uit het Griekse megas, 'groot', en skōps, 'uiltje' — groot genomen ten opzichte van de dwergooruilen van de Oude Wereld. asio is het Latijnse woord dat Plinius gebruikte voor een uil met oorpluimen; datzelfde woord staat als geslachtsnaam bij de ransuil. Linnaeus baseerde zich op de plaat van Catesby; het beschreven exemplaar kwam uit Amerika, met South Carolina als typelocatie.




