Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Gevlekte schreeuwuil

Gevlekte schreeuwuil | Megascops trichopsis

Whiskered Screech-Owl | Tecolote Rítmico

De gevlekte schreeuwuil is een kleine bergbewoner van dennen-eikenbos, die in de Verenigde Staten alleen de canyons van zuidoostelijk Arizona en zuidwestelijk New Mexico haalt. Hij dankt zijn wetenschappelijke en zijn Engelse naam aan de lange borstelveren rond snavel en ogen, die als snorharen uitsteken. Schreeuwen doet hij niet: hij toetert, in een reeks die zo regelmatig kan zijn als een metronoom of zo grillig als morsecode.

Gevlekte schreeuwuil (Megascops trichopsis)
Foto: Alan Schmierer — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

Er zijn twee zangen, en beide zijn een reeks van korte, holle toet-noten. De eerste bestaat uit vijf tot acht noten met volkomen gelijke tussenpozen, in het midden van de reeks een tikje hoger en aan begin en eind iets lager; het tempo verandert niet. De tweede is het morseritme: toet-toet, toet, toet, toet-toet, toet, met korte en lange gaten door elkaar, en dat ongelijke ritme is het snelste kenmerk van de soort. De noten zijn hoger en muzikaler dan bij de westelijke schreeuwuil, en het mannetje roept dieper dan het vrouwtje, dat vaak in duet meedoet.

Luister: ZangXC1089773

Opname: GABRIEL LEITE — CC BY-NC-SA 4.0 · Todos Santos Cuchumatán, Huehuetenango, Guatemala · xeno-canto

Herkenning

Een kleine, gedrongen uil met grote kop, korte staart en oorpluimen die bij onrust rechtop worden gezet. Rond de snavel en de ogen staan lange, stijve borstelveren die als snorharen naar voren steken; ze zijn op korte afstand met een lamp zichtbaar. Het verenkleed is grijs met zwarte lengtestrepen en grove dwarsbanden, waardoor de onderdelen een zwaardere, meer gevlekte indruk maken dan bij verwante soorten; er bestaat daarnaast een bruinere vorm. De ogen zijn geel met een oranje zweem, de snavel bleek olijfgeel, en de tenen zijn bevederd. Mannetje en vrouwtje zien er gelijk uit, met het vrouwtje als de zwaardere.

Verwarrings­soorten

De westelijke schreeuwuil (Megascops kennicottii) deelt in Arizona en New Mexico dezelfde canyons en is het echte probleem: hij is iets groter, fijner en dunner gestreept op de onderdelen, heeft een donkergrijze tot zwarte snavel en zit gemiddeld lager op de berg. Zijn zang versnelt — een reeks fluittonen als een stuiterende bal — terwijl die van de gevlekte schreeuwuil het tempo juist vasthoudt of in morseritme hakt. De oostelijke schreeuwuil (Megascops asio) komt in dit gebied niet voor; die houdt op bij de Rio Grande en hinnikt en snort. De ponderosadwergooruil (Psiloscops flammeolus) zit in hetzelfde dennenbos maar is kleiner, heeft donkerbruine ogen in plaats van gele en roept één lage noot, telkens herhaald.

Leefgebied

Bergbos van eik en den in canyons en op de flanken van de hooggelegen eilandgebergten, meestal tussen duizend en tweeduizendnegenhonderd meter. In Arizona gebruikt hij drie zones tegelijk: het loofbos op de canyonbodem, het eiken-dennenbos daarboven en de onderrand van het naaldbos. Zuidelijker komen daar wolkenbos, de rand van tropisch bladverliezend bos en koffieplantages onder schaduwbomen bij. Hij zit doorgaans hoger op de berg dan de westelijke schreeuwuil en gebruikt de droge laagvlakte niet. Zelf hakt hij geen holte, zodat hij afhangt van oude spechtengaten en natuurlijke rotplekken in zware eiken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van zuidoostelijk Arizona en zuidwestelijk New Mexico zuidwaarts door de Mexicaanse hooglanden — de Sierra Madre Occidental, de Sierra Madre Oriental, de vulkaangordel en de Sierra Madre del Sur — tot Guatemala, El Salvador, Honduras en noordelijk Nicaragua. Hij trekt niet en blijft jaarrond in hetzelfde canyonterritorium; hooguit zakt hij in strenge winters wat lager de berg af. In de Verenigde Staten beslaat het areaal maar enkele tientallen bergen, de zogeheten eilandgebergten, elk met een eigen kleine populatie. Dat noordelijke deel is een fractie van het totaal; het zwaartepunt van de soort ligt in Mexico.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Rijd in april of mei in het donker een canyonweg in de Huachuca-, Santa Rita- of Chiricahua-bergen op tot in het eiken-dennenbos, stop bij een brede bocht en luister naar het ritme, niet naar de toonhoogte: gelijke tussenpozen of morse betekent deze soort, versnelling betekent de westelijke schreeuwuil. Krijg je de vogel in de lamp, richt dan kort en laag en zoek twee dingen: de bleke olijfgele snavel en de borstels die als snorharen voor het gezicht staan. Beide soorten reageren op een opname; gebruik die spaarzaam, want op veelbezochte canyons zijn de vogels er wezenlijk stiller van geworden.

Staat van instandhouding

De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek. Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) raamt de populatie op ongeveer 200.000 broedvogels en plaatst de soort op de gele aandachtslijst met een hoge zorgscore, vooral omdat het areaal smal is en over losse bergen versnipperd ligt. De knelpunten zijn het kappen van oude eiken met holtes, het weghalen van dode staande bomen, en het uitdrogen en afbranden van canyonbos in de eilandgebergten. In Midden-Amerika speelt daarnaast de omschakeling van beschaduwde koffieaanplant naar aanplant in de volle zon, waarmee de opgaande bomen verdwijnen. Nauwkeurige trendcijfers ontbreken, omdat de soort alleen 's nachts en op moeilijk bereikbare hoogte te tellen is.

Wetenschappelijke naam

Megascops trichopsis | (Wagler, 1832)

Wagler beschreef de soort in 1832 als Scops trichopsis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Megascops werd in 1848 ingevoerd door Kaup, uit het Griekse megas, 'groot', en skōps, 'uiltje'. De soortnaam trichopsis is gevormd uit het Griekse thrix, trichos, 'haar', en opsis, 'aanblik' of 'gezicht', dus 'harig van gezicht' — naar dezelfde borstelveren waarnaar ook de Engelse naam verwijst. Het eerst beschreven exemplaar van M. trichopsis kwam uit Mexico.