Alle soorten › Zangvogels › Lachvogels › Witbrauwlijstergaai

Witbrauwlijstergaai | Garrulax canorus

Chinese Hwamei (Hwamei) | Charlatán canoro

De witbrauwlijstergaai is een Oost-Aziatische lijstergaai die om zijn zang eeuwenlang als kooivogel is gehouden. Ontsnapte vogels vestigden zich rond 1900 op Oʻahu en daarna op de andere grote Hawaïaanse eilanden, waar hij nu een algemene maar zelden geziene bosvogel is.

Witbrauwlijstergaai (Garrulax canorus)
Foto: Sun Jiao (Interaccoonale) — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is luid, helder en sterk gevarieerd: fluitende zinnen met regelmatige herhaling, doorspekt met nabootsingen van andere vogels, en hij kan minutenlang doorgaan. Daarnaast klinkt een raspend, krassend alarmgeluid. Op Hawaï is het geluid vrijwel altijd het enige bewijs van aanwezigheid, want de vogel zingt vanuit dekking.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Middelgrote roodbruine vogel met brede, ronde vleugels en een lange, waaiervormige staart. Het verenkleed is warm kaneelbruin, op kruin, nek en borst fijn donker gestreept, de buik grijzer. Kenmerkend is de witte oogring, die zich naar achteren voortzet als een smalle witte streep — de 'geschilderde wenkbrauw' waaraan de soort haar Chinese naam dankt. Snavel en poten zijn geelachtig. Mannetje en vrouwtje zien er gelijk uit. Beweegt zich vooral op de grond, scharrelend in de strooisellaag.

Verwarrings­soorten

De borstbandlijstergaai, eveneens op Hawaï ingevoerd, is groter en grijsbruin, heeft een donkere band over de borst en mist de witte oogstreep. Lijsters van het geslacht Turdus hebben geen witte oogstreep en een rechtere houding. Binnen het gidsgebied is de combinatie van een witte streep achter het oog met een egaal roodbruin kleed kenmerkend; de naaste verwant, de Taiwanese lijstergaai, komt hier niet voor.

Leefgebied

Struweel, open bos, secundair bos, parken en tuinen tot ongeveer 1800 meter. Op Hawaï in nat en droog bos, in terrein met ingevoerde struiken als guave en gember, en langs bosranden en paden. Zoekt voedsel in de strooisellaag naar insecten en vruchten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Oorspronkelijk in Zuidoost- en Midden-China, Noord-Vietnam en Laos. Ingevoerd op Taiwan, in Singapore, Japan en Hawaï. Op Hawaï begon de vestiging met kooivogels die bij de brand in Chinatown in Honolulu in 1900 vrijkwamen; daarna zijn vogels doelbewust naar de andere eilanden gebracht. Hij komt nu voor op Kauaʻi, Oʻahu, Molokaʻi, Maui en het eiland Hawaï, van laagland tot bergbos.

HawaïNiihauKauaiOahuLanaiMolokaiKahoolaweMauiHawaii
  • Jaarrond
Kaartje van de archipel zelf: op de kaart van Noord-Amerika zou deze vogel een stipje linksonder zijn, en juist bij eilandsoorten gaat het om de vraag op wélke eilanden hij zit. De eilanden waar hij ontbreekt staan er grijs bij. Per eiland gemeten aan de waarnemingen van GBIF: het aantal waarnemingen van de soort gedeeld door alle vogelwaarnemingen daar, per seizoen, net als op de gewone kaart. Op Niihau en Kahoolawe wordt zo weinig gekeken dat de meting daar zwijgt en de standaardwerken het zeggen. Eilandcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem niet met de kijker maar met het oor: langs een bospad op Kauaʻi of aan de rand van het Volcanoes-gebied zingt hij vanuit dichte struiken. Blijf stilstaan bij zo'n struik — hij komt soms enkele seconden op een open tak. In de vroege ochtend en vlak voor zonsondergang zingt hij het meest.

Staat van instandhouding

De IUCN plaatst de soort in de categorie niet bedreigd (LC). In China is de vangst voor de kooivogelhandel omvangrijk en drukt die lokaal op de aantallen. Op Taiwan leidt kruising met de daar inheemse Taiwanese lijstergaai tot verlies van de genetische eigenheid van die soort, een gevolg van invoer in de jaren tachtig. Op Hawaï is de populatie groot en zelfstandig; over de gevolgen voor inheemse bosvogels is weinig onderzocht, al is concurrentie om voedsel in de strooisellaag denkbaar.

Wetenschappelijke naam

Garrulax canorus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Turdus canorus; de latere plaatsing in een ander geslacht zet auteur en jaartal tussen haakjes. De typelocatie 'Bengalen en China' is in 1928 beperkt tot Amoy in Fujian. Het geslacht Garrulax werd in 1831 ingevoerd door René Lesson, van het Latijnse garrulus 'babbelend, luidruchtig'. De soortnaam canorus is Latijn voor 'welluidend'. De Engelse naam hwamei komt van het Chinese huàméi, 'geschilderde wenkbrauw'; de Nederlandse naam zegt hetzelfde.