Alle soorten › Futen › Futen › Zwanenhalsfuut
Zwanenhalsfuut | Aechmophorus occidentalis
Western Grebe | Achichilique Común
De zwanenhalsfuut is de grootste fuut van Noord-Amerika: zwart van boven, wit van onder, met een lange dunne hals en een rood oog midden in de zwarte kap. In het voorjaar rennen twee vogels naast elkaar rechtop over het water, de hals in een boog en de vleugels stijf naar achteren — een vertoning die tientallen meters ver kan doorgaan. Hij broedt in kolonies op de grote meren van het westen en trekt in de winter naar de kust.
Geluid
Het gewone contactgeluid is een schel, krassend kri-kriet van twee lettergrepen, dat over het hele meer te horen is en waarop andere vogels antwoorden. Juist dat antwoord zet de vertoning in gang: twee vogels die elkaar roepend vinden, gaan even later samen rechtop over het water. Bij het nest klinken zachte klokkende en tikkende geluidjes waarmee ouders en jongen elkaar vinden. In de winter, op zee, is hij vrijwel stil.
Opname: Bruce Lagerquist — CC BY-NC-SA 4.0 · Coal Banks Campground, Chouteau County, Montana, United States · xeno-canto
Herkenning
Een lange, smalle vogel met een hals die bijna de helft van zijn lengte inneemt, van boven zwart en van onder wit, met een scherpe grens die over de zijhals loopt. De zwarte kap reikt tot onder het oog, zodat het rode oog in het zwart ligt, en ook de teugel tussen oog en snavel is donker. De snavel is lang, recht en dun en heeft een dofgele tot groengele kleur. Man en vrouw zijn gelijk, al is het mannetje iets groter van snavel; jonge vogels zijn grijzer en hebben een minder scherp kopteken, en de donsjongen zijn grijs. In vlucht hangt de hals licht doorgezakt naar voren, slaan de vleugels snel en ondiep en loopt een lange witte streep over de achtervleugel.
Verwarringssoorten
Clarks fuut (Aechmophorus clarkii) is het echte probleem: daar loopt de zwarte kap tot boven het oog, zodat het rode oog in het wit ligt, is de teugel licht, is de snavel oranjegeel en zijn de flanken lichter grijs. In de winter vervaagt dat verschil bij beide soorten, en dan zijn niet alle vogels op naam te brengen; de roep helpt wel, want die van Clarks fuut heeft één lettergreep. De roodhalsfuut is even lang maar veel dikker van hals, met een gele snavelbasis en een grauwe hals. Een duiker heeft een veel zwaardere borst, een korte dikke hals en een donkere snavel.
Leefgebied
Hij broedt in kolonies op grote, voedselrijke zoetwatermeren en moerassen met brede gordels van biezen en riet, waarin de drijvende nesten in ondiep water worden vastgezet; open water met vis moet er vlak naast liggen. Na het broeden trekken de vogels naar ruimeren, waar ze een tijd niet kunnen vliegen. In de winter zit het merendeel op zout of brak water: beschutte baaien, zeearmen, riviermondingen en de strook net buiten de branding. Een kleiner deel blijft op grote stuwmeren en diepe binnenmeren, zolang die niet dichtvriezen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt in het westen van het werelddeel, van midden-Brits-Columbia, Alberta, Saskatchewan en westelijk Manitoba zuidwaarts door het Grote Bekken tot Californië, Colorado en Nebraska, en plaatselijk tot in noordelijk Mexico. In de winter ligt het zwaartepunt langs de Grote Oceaan, van Brits-Columbia tot Neder-Californië en de Golf van Californië, met kleinere aantallen op de stuwmeren van het zuidwesten. De broedplaatsen wisselen met de waterstand: een meer met honderden paren kan na een droog jaar leeg zijn, terwijl een ander meer volloopt. Tussen 1968 en 2015 namen de aantallen met ongeveer twee procent per jaar af, vooral in het zuidelijke deel van het broedgebied.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga tussen april en juni bij zonsopgang naar een groot meer met biezen in het westen — Klamath, Bear River, Tule Lake — en wacht op het tweelettergrepige geroep; kort daarna kan het rennen over het water beginnen. Kijk bij elke vogel eerst naar het oog: ligt het rood in het zwart, dan is het deze soort. In de winter zoek je hem vanaf een pier of een kaap langs de Grote Oceaan, waar groepen langgerekte witte halzen net buiten de golven drijven.
Staat van instandhouding
Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op ongeveer 87.000 broedvogels en zet de soort op de gele lijst van aandachtssoorten, al geldt ze bij de IUCN als niet bedreigd (LC). De aantallen daalden tussen 1968 en 2015 met circa twee procent per jaar. Het verdwijnen van moerassen, wisselende waterstanden en verstoring van kolonies door boten wegen het zwaarst; daarnaast verdrinken vogels in kieuwnetten en zijn de overwinteringsgebieden aan de kust gevoelig voor olie.
Wetenschappelijke naam
Aechmophorus occidentalis | (Lawrence, 1858)
George Newbold Lawrence beschreef de soort in 1858 als Podiceps occidentalis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aechmophorus werd in 1862 ingevoerd door Elliott Coues en komt van het Grieks aichme ('speerpunt') en phoros ('dragend'), naar de lange, spitse snavel. occidentalis is Latijn voor 'westelijk'. Het beschreven exemplaar kwam van Fort Steilacoom in Washington.



