Alle soorten › Futen › Futen › Clarks fuut

Clarks fuut | Aechmophorus clarkii

Clark's Grebe | Achichilique de Clark

Clarks fuut is de lichtere tegenhanger van de zwanenhalsfuut: even lang, even smal van hals, maar met een oranjegele snavel en een zwarte kap die boven het rode oog ophoudt, zodat het oog in het wit ligt. Meer dan een eeuw gold hij als een bleke vorm van die soort; sinds 1985 wordt hij apart geteld. Hij is veel schaarser en zit meer naar het zuiden, met een zwaartepunt in het zuidwesten en op de hooglandmeren van Mexico.

Clarks fuut (Aechmophorus clarkii)
Foto: Mike Baird — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een schel, krassend kriet van één lettergreep, waar de zwanenhalsfuut er twee laat horen; in een gemengde kolonie is dat het enige verschil dat op afstand betrouwbaar werkt. Vogels roepen en antwoorden elkaar over het hele meer, en op zo'n antwoord volgt vaak het samen wegrennen over het water. Bij het nest klinken zachte tikkende en klokkende geluidjes tussen ouders en jongen. Buiten de broedtijd hoor je hem zelden.

Luister: ZangXC641950

Opname: Paul Marvin — CC BY-NC-SA 4.0 · Finney Lake, Calipatria, Imperial County, California, United States · xeno-canto

Herkenning

Van boven zwart en van onder wit, met een lange dunne hals die bijna de helft van de lengte inneemt, net als bij de zwanenhalsfuut. Het verschil zit in de kop: de zwarte kap stopt boven het oog, de teugel tussen oog en snavel is wit of vuilwit, en het rode oog ligt daardoor in een wit gezicht. De snavel is lang, recht en dun en oranjegeel, helderder dan bij de zwanenhalsfuut. De flanken zijn lichter grijs, waardoor de vogel op het water witter oogt; man en vrouw zijn gelijk, en de donsjongen zijn wit in plaats van grijs. In vlucht is hij niet van de zwanenhalsfuut te onderscheiden: dezelfde lange witte streep over de achtervleugel en dezelfde vooruit hangende hals.

Verwarrings­soorten

De zwanenhalsfuut (Aechmophorus occidentalis) is de enige echte verwarringssoort: bij die vogel loopt het zwart tot onder het oog, is de teugel donker en is de snavel dofgeel tot groengeel. In winterkleed schuift het zwart bij beide soorten naar beneden en worden vooral jonge vogels onherkenbaar; wie het niet zeker weet, laat de vogel onbenoemd. De twee broeden op dezelfde meren en er komen enkele gemengde paren en tussenvormen voor, die geen van beide kenmerkenreeksen volledig volgen. De roodhalsfuut is veel dikker van hals en heeft een grauwe in plaats van witte voorhals.

Leefgebied

Hij broedt op grote zoetwatermeren en moerassen met biezen en riet, in dezelfde kolonies als de zwanenhalsfuut en met hetzelfde drijvende nest, vaak wat verder van de oever en in wat opener, dieper of zoutrijker water. Ook hier moet er open water met kleine vis naast liggen. Na de broedtijd verzamelen de vogels zich op ruimeren en verkassen ze naar de kust: beschutte baaien, lagunes en riviermondingen. In het zuiden van het areaal blijft een deel het hele jaar op dezelfde binnenmeren en stuwmeren zitten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied loopt van het zuiden van Brits-Columbia, Montana en de Dakota's zuidwaarts door het Grote Bekken tot Californië, Nevada, Utah, Colorado en New Mexico, en verder over de hooglandmeren van noordelijk en midden-Mexico, waar hij standvogel is. In de winter zit hij aan de Grote Oceaan van midden-Californië tot Neder-Californië en de Golf van Californië, en op de stuwmeren van de benedenloop van de Colorado. Naar het noorden toe wordt hij snel schaarser: in Canada broeden er hooguit enkele tientallen paren tussen de veel talrijker zwanenhalsfuten. In de gemengde kolonies verschuift de verhouding naar het zuiden toe steeds verder in zijn voordeel.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek in een kolonie eerst met het oor: één lettergreep is Clarks fuut, twee zijn de zwanenhalsfuut, ook als de vogels te ver weg zijn om de kop te zien. Kijk daarna naar de smalle strook tussen oog en snavel — is die licht, dan heb je hem. Doe dat bij voorkeur tussen mei en juli, want in winterkleed is het onderscheid onbetrouwbaar en zijn ook ervaren tellers voorzichtig.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op ongeveer 11.000 broedvogels en zet de soort op de gele lijst van aandachtssoorten, vooral omdat het areaal klein is. Tussen 1970 en 2017 nam het aantal met ongeveer acht procent af. Bedreigingen zijn het verdwijnen van moerassen, wisselende waterstanden, bestrijdingsmiddelen, verstoring van kolonies door motorboten, verdrinking in kieuwnetten en olie in de kustwateren.

Wetenschappelijke naam

Aechmophorus clarkii | (Lawrence, 1858)

George Newbold Lawrence beschreef de soort in 1858 als Podiceps clarkii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aechmophorus komt van het Grieks aichme ('speerpunt') en phoros ('dragend'), naar de lange, spitse snavel. De soortnaam eert John Henry Clark, landmeter en verzamelaar bij het grensonderzoek tussen de Verenigde Staten en Mexico. De typelocatie stond eerst ruim omschreven als Californië en New Mexico en werd in 1963 door Dickerman beperkt tot Laguna Santa María in Chihuahua.