Alle soortenKoekoeksvogelsKoekoeken › Kleine Ani

Kleine Ani | Crotophaga ani

Smooth-billed Ani | Garrapatero Piquiliso

De kleine ani is een geheel zwarte koekoek met een losse, slingerende staart en een hoge, gladde snavel die als een kam boven de kruin uitsteekt. Hij leeft in groepjes die alles samen doen: samen foerageren, samen slapen, en samen één nest bouwen waarin alle vrouwtjes van de groep hun eieren leggen. In het gebied van deze gids is hij vooral een vogel van de Caraïbische eilanden; de kortstondige Amerikaanse populatie in Florida is weer verdwenen.

Kleine Ani (Crotophaga ani)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het gewone geluid is een stijgend, klagend oe-liek, met de klemtoon op het opgetrokken einde, dat elk lid van de groep achter elkaar herhaalt. Een groepje dat samen opvliegt klinkt daardoor als een rij piepende hekken. Bij het foerageren houden de vogels contact met korte, klokkende en grommende geluidjes, laag in de struik. Bij een kat of een havik gaat de hele groep over op een hard, ratelend alarm.

Luister: ZangXC912265

Opname: JUAN ANTONIO ALONSO DE JUAN — CC BY 4.0 · Vereda La Máquina, Pacho, Cundinamarca, Colombia · xeno-canto

Herkenning

Hij is van kop tot staart zwart, met bij goed licht een bronzen of purperen glans over mantel en borst en fijne schubtekening op hals en vleugeldekveren. De snavel is diep en zijdelings samengedrukt en draagt bovenop een hoge, gladde bocht die de lijn van de kruin doorbreekt; groeven zitten er niet in. De staart is lang, smal en zo los aangezet dat hij bij het landen nawiebelt en soms half los lijkt te hangen. De vleugels zijn kort en rond, en de vlucht bestaat uit een paar haastige slagen en een glijvlucht, laag van struik naar struik. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels missen de hoge snavelbocht en zijn doffer zwart.

Verwarrings­soorten

De groefsnavelani (Crotophaga sulcirostris) is de enige echte verwarringssoort: die heeft drie tot vier groeven in de zijkant van de snavel en mist de hoge gladde bocht, en zijn roep is een vloeiend, fluitend tie-ho in plaats van een stijgend gejank. De twee wonen grotendeels uit elkaar: op de Caraïbische eilanden is de kleine ani vrijwel overal de enige ani, terwijl op het vasteland van Mexico en in Texas de groefsnavelani de gewone soort is. Een kraai is veel groter, heeft brede vleugels, een korte staart en een rechte, krachtige vlucht. Zwarte zangvogels van open land hebben een spitse snavel en een stijve staart en hangen niet zo slordig in de struik.

Leefgebied

Hij zit in laag, open land: weiden met vee en verspreide struiken, verruigde akkers, suikerrietvelden, wegbermen, erven en de rommelige randen van dorpen en steden. Wat hij nodig heeft is een dichte struik of een lage boom om in te slapen en te nestelen, met daaromheen kort gras of kale grond waarin hij naar sprinkhanen en hagedissen kan jagen. Vaak zit een groep vlak bij water: een poel, een greppel of een rietkraag waarin ze 's nachts wegkruipen. Gesloten bos en droog, struikloos land gebruikt hij niet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied van deze gids is hij standvogel op de Bahama's, Cuba, Jamaica, Hispaniola, Puerto Rico, de Caymaneilanden en de Turks- en Caicoseilanden, op Aruba en Curaçao, en op het vasteland in Quintana Roo; het grootste deel van zijn areaal ligt zuidelijker, van Costa Rica tot noordelijk Argentinië. In Florida werd in 1938 bij Miami het eerste broedgeval vastgesteld, waarna de soort zich over het schiereiland verspreidde tot Lake Okeechobee, Tampa en Cape Canaveral. Vanaf de jaren zeventig liep die populatie snel terug, en tegenwoordig broedt hij er niet meer; wat er nog wordt gezien zijn losse vogels, vooral in de Keys en langs de zuidoostkust. De oorzaken zijn niet met zekerheid bekend: veranderd landgebruik en enkele strenge vorstperioden worden het vaakst genoemd, maar ook in beschermde gebieden verdwenen de groepen.

  • Jaarrond
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem op de eilanden in de vroege ochtend langs een weiland met vee: dan zitten groepjes ineengedoken op een draad of een paal met de borst naar de zon, voordat ze de struiken in gaan. Rijd langzaam langs verruigde akkerranden en let op de losse staart die bij elke landing nog even doorwiebelt. Hoor je het stijgende gejank, tel dan de vogels: waar er één is, zijn er meestal vijf tot tien.

Staat van instandhouding

Over zijn hele areaal is de soort talrijk — Partners in Flight komt op een wereldpopulatie in de orde van twintig miljoen vogels — en de IUCN rekent hem tot de niet bedreigde soorten. Regionaal ligt het anders: in Florida is hij sinds de jaren zeventig verdwenen als broedvogel. Verandering van landgebruik, bestrijdingsmiddelen in de weilanden en strenge winters worden daarbij als oorzaken genoemd.

Wetenschappelijke naam

Crotophaga ani | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Crotophaga Ani; ze staat nog altijd in dat geslacht, en daarom staan auteur en jaartal zonder haakjes. Crotophaga komt van het Grieks kroton ('teek') en phagos ('etend'), naar de gewoonte om tussen grazend vee naar ongedierte te zoeken. ani is de naam die de vogel in het Tupi van Brazilië draagt en die met de eerste beschrijvingen in de wetenschappelijke taal terechtkwam. Linnaeus gaf als vindplaats 'Amerika, Afrika' op; die is later beperkt tot Jamaica.