Alle soorten › Zangvogels › Vireo's › Zwartkapvireo
Zwartkapvireo | Vireo atricapilla
Black-capped Vireo | Vireo cabecinegro
De zwartkapvireo is de enige vireo waarbij man en vrouw verschillend gekleurd zijn: het mannetje heeft een zwarte kop met een witte bril rond een roodbruine iris. Hij broedt in laag eikenstruweel op de kalksteenhellingen van Centraal-Texas, Oklahoma en Noord-Mexico en overwintert langs de westkust van Mexico.
Geluid
Het mannetje zingt een aaneengeschakelde reeks snelle frasen van twee of drie noten, wisselend stijgend en dalend, met veel variatie tussen de frasen onderling. Het zingen gaat de hele dag door, ook bij hoge temperaturen, en één vogel beschikt over een groot aantal frasetypen. De meest gehoorde roep is een snel tsjidit, dat sterk lijkt op de roep van het roodkroonhaantje. Bij verstoring klinkt snavelgeklepper.
Opname: Sue Riffe — CC BY-NC-SA 4.0 · Santa Margarita Ranch - hike, Starr Cty, Texas, United States · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje is olijfgroen van boven en wit van onderen met een gele waas op de flanken; kop en keelzijden zijn zwart, met een witte bril die vóór het oog onderbroken is. De iris is roodbruin. Het vrouwtje heeft een leigrijze in plaats van zwarte kop en een geelgroene waas over de onderdelen; het eerstejaars mannetje zit daartussenin en heeft een grijszwarte kop. Beide geslachten hebben twee gelige vleugelstrepen. De vogel foerageert laag en blijft grotendeels in de dekking.
Verwarringssoorten
Geen andere vireo van het gebied heeft een zwarte of leigrijze kop met een onderbroken witte bril. De brilvireo heeft een blauwgrijze kop, een gesloten witte bril en een witte keel, is groter en leeft in bos in plaats van in laag struweel. Het vrouwtje van de zwartkapvireo wordt in de vlucht het vaakst voor een zanger aangezien; de zware, gehaakte snavel en het trage foerageren geven dan de doorslag. De roep is van die van het roodkroonhaantje nauwelijks te scheiden, dus laat de determinatie niet alleen op dat geluid rusten.
Leefgebied
Laag, onregelmatig struweel op ondiepe kalksteenbodem, met shin oak (kniehoge, uitlopervormende eik van Texaanse kalksteenvlakten), Texaanse eik, sumak en jeneverbes, waarbij het blad tot op de grond doorloopt. Het nest hangt meestal tussen 40 en 130 centimeter boven de grond. Struweel dat door brand of begrazing is teruggezet en zich weer herstelt is geschikt; als de struiken tot gesloten bos doorgroeien of als vee de onderste takken wegvreet, verdwijnt de soort. Het winterkwartier is tropisch droog struweel en loofbos op de westelijke hellingen van Mexico.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van het zuiden van Oklahoma door het Edwards Plateau en de Texaanse Hill Country tot in Coahuila en Nuevo León; in Kansas is hij als broedvogel verdwenen. De grootste dichtheden liggen op militaire terreinen in Texas en Oklahoma, waar grote aaneengesloten oppervlakten struweel liggen. De trek verloopt door het noordoosten en westen van Mexico. Overwinterd wordt langs de Pacifische helling van Sonora en Sinaloa zuidwaarts tot Guerrero, van augustus-september tot maart.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem tussen half april en juni; in juli neemt de zang sterk af. Ga op een zangpost af en wacht in plaats van het struweel in te lopen — de vogel komt vaak zelf naar de rand. Let erop of de kop zwart of leigrijs is, want dat bepaalt of je naar een mannetje of een vrouwtje kijkt.
Staat van instandhouding
De soort staat op de Rode Lijst als gevoelig (NT), met een geschatte populatie van 10.000 tot 20.000 volwassen vogels. In 1987 werd ze in de Verenigde Staten wettelijk beschermd als bedreigde soort; in 2018 werd die status ingetrokken nadat de getelde aantallen waren gestegen. De belangrijkste drukfactoren zijn broedparasitisme door de bruinkopkoevogel, begrazing waardoor de onderste bladlaag verdwijnt, doorgroei van struweel tot gesloten bos bij het uitblijven van brand, en omzetting van struweel in weiland en bebouwing. Het grootste deel van de huidige aantallen zit op beheerde terreinen waar koevogels worden weggevangen; buiten die terreinen zijn trend en aantal minder goed bekend, en het Mexicaanse deel van het areaal is nauwelijks geteld.
Wetenschappelijke naam
Vireo atricapilla | Woodhouse, 1852
Samuel Washington Woodhouse beschreef de soort in 1852 naar een exemplaar dat hij aan de Rio San Pedro verzamelde, 208 mijl (circa 335 kilometer) van San Antonio langs de weg naar El Paso del Norte — later vastgesteld als de Devils River bij Sonora in Sutton County, Texas. Auteur en jaartal staan zonder haakjes, want de soort staat nog altijd in Vireo. Die naam is de Latijnse aanduiding van een groene trekvogel, verwant aan virere 'groen zijn'. De soortnaam atricapilla komt van ater 'zwart' en capillus 'hoofdhaar', dus 'met de zwarte kruin'.




