Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Zwartkruingors
Zwartkruingors | Zonotrichia querula
Harris's Sparrow | Chingolo de Harris
De zwartkruingors is de grootste gors van Noord-Amerika en de enige vogelsoort die uitsluitend in Canada broedt. Hij nestelt op de overgang van boreaal bos naar toendra tussen de Northwest Territories en Hudsonbaai, en overwintert in een smalle strook van de Great Plains tussen South Dakota en Centraal-Texas.
Geluid
De zang bestaat uit twee of drie heldere, iets bevende fluittonen op dezelfde toonhoogte, gevolgd door een tweede reeks op een duidelijk hogere of lagere toon. Het mannetje zingt vanaf een open zitplaats boven op een sparretje of een wilgenstruik. De roep is een hard, metalig wiink, in de winter voortdurend te horen uit een groep in een houtwal, en daarnaast een muzikaal gekwetter binnen de groep. Ook op de trek en in de winterkwartieren zingen mannetjes.
Opname: Ian Cruickshank — CC BY-NC-SA 4.0 · Swan Lake, Victoria, B.C., Canada, Canada · xeno-canto
Herkenning
Een grote, langstaartige gors met een roze snavel die tegen het zwart van kop en keel afsteekt. De volwassen vogel in broedkleed heeft een zwarte kruin, een zwart gezicht en een zwarte bef die op de borst in een gerafelde rand eindigt, met grijze koptzijden, een bruin gestreepte rug en witte onderdelen met donkere vlekken op de flanken. In winterkleed is het zwart minder uitgebreid en beigekleurig omzoomd, en is de keel vaak wit met een zwarte band eronder. Jonge vogels hebben in de eerste winter een grotendeels witte keel en slechts een paar zwarte vlekken.
Verwarringssoorten
De witkeelgors is duidelijk kleiner, heeft een grijze snavel, een scherp begrensde witte keel en geel op de teugel. De witkruingors heeft een zwart-wit gestreepte kruin maar een egaal grijze keel en borst. Huismus-mannetjes hebben eveneens een zwarte keel, maar zijn veel kleiner, korter van staart en hebben een bruine vleugel met een witte schouderstreep en geen roze snavel. Bij een jonge vogel met weinig zwart blijft de combinatie van formaat, roze snavel en zwarte vlekken op de borstzijden doorslaggevend.
Leefgebied
Broedt in halfbeboste toendra, waar open toendra wordt onderbroken door groepjes zwarte spar, lariks, els en wilg, meestal aan de rand van een veenmoskussen of een meertje. Het nest ligt op de grond onder een lage struik. In de winter zit hij in houtwallen, akkerranden, verruigde weilanden, dichte oeverstruwelen en tuinen aan de rand van dorpen; gesloten bos en droog, kaal grasland mijdt hij. Op de broedgrond eet hij knoppen en jonge sparrennaalden, in de winter vooral zaad van ambrosia en duizendknoop.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied ligt in noordelijk-centraal Canada: de zuidelijke Northwest Territories, het aangrenzende deel van Nunavut en de noordrand van Manitoba en Saskatchewan. De trek verloopt door een smalle corridor recht over de centrale prairies — van Centraal-Canada naar de centrale Great Plains — waarbij Alberta, North Dakota, Minnesota en Iowa doortrekgebied zijn. Het overwinteringsgebied ligt van South Dakota en Nebraska zuidwaarts tot Centraal-Texas en van Oost-Colorado oostwaarts tot Arkansas, met het zwaartepunt in Kansas en Oklahoma. De najaarstrek begint half september en piekt in oktober; de terugtrek valt vooral in april en de eerste helft van mei.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in de winter langs houtwallen op de prairie van Kansas of Oklahoma, tussen groepen witkruingorzen en grijze junco's: het formaat en de roze snavel vallen in zo'n gemengde groep meteen op. In de winterkwartieren bepaalt de grootte van de zwarte bef de rangorde binnen een groep — oudere vogels met een donkerdere keel verdringen jongere, lichtere vogels bij het voedsel, en dat is aan een voedertafel te volgen.
Staat van instandhouding
De broedpopulatie wordt geschat op ongeveer 2 miljoen vogels, maar de soort is sinds 1970 met meer dan de helft afgenomen en staat daarom op de Rode Lijst als gevoelig (NT) en op de aandachtslijst van Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming). Het broedgebied ligt zo afgelegen dat de standaardtellingen het nauwelijks bestrijken; de afname is vooral uit kerstvogeltellingen in de winterkwartieren afgeleid. Genoemde oorzaken zijn het opschuiven van de boomgrens en veranderende sneeuw- en brandpatronen op de broedgrond, en de omzetting van houtwallen en ruige akkerranden in de Great Plains. Het smalle trekvenster maakt dat een groot deel van de populatie in dezelfde weken door hetzelfde gebied komt.
Wetenschappelijke naam
Zonotrichia querula | (Nuttall, 1840)
Nuttall beschreef de soort in 1840 als Fringilla querula, naar een exemplaar van enkele kilometers ten westen van Independence in Missouri; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam querula is Latijn voor 'klagend', naar de toon van de zang. Het geslacht Zonotrichia werd in 1832 ingevoerd door William Swainson, naar het Griekse zōnē 'gordel, band' en trikhos 'haar'. De Engelse en Spaanse naam verwijzen naar Edward Harris (1799–1863), een Amerikaanse ornitholoog en reisgenoot van Audubon, naar wie Audubon de vogel in 1843 Fringilla harrisii noemde — een naam die het tegen die van Nuttall aflegde, maar in de volksnaam bleef bestaan. De Nederlandse naam noemt de zwarte kruin.





