Alle soorten › Zangvogels › Diksnavelmezen › Bruinkopdiksnavelmees

Bruinkopdiksnavelmees | Suthora webbiana

Vinous-Throated Parrotbill | Picoloro acanelado | Braunkopf-Papageimeise | תוכיון ורדרד-גרון | Paradoxornis de Webb

De kleinste van de twee diksnavelmezen die in de moerassen van Lombardije zijn beland: een warm roze-oranjebruin balletje met een lange staart en een snaveltje dat op dat van een miniatuurpapegaai lijkt. In Oost-Azië is het een van de gewoonste tuinvogels; in Europa zit hij op een handvol vierkante kilometers riet in Lombardije en Piemonte, verweven met een tweede soort waar hij nauwelijks van te scheiden is.

Bruinkopdiksnavelmees (Suthora webbiana)
Foto: Wang.QG — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een groep laat een aanhoudend, hoog, ijl gekwetter horen dat met de groep door het riet mee schuift. De contactroep is een dun tsjip-tsjip, snel herhaald en van meerdere vogels tegelijk; bij opwinding klinkt er een droog, nasaal tsjrrr doorheen. De zang is nauwelijks meer dan een ijl, versneld reeksje van dezelfde tikjes, twee tot drie seconden lang, meestal vanaf een rietstengel. Van de grijskeeldiksnavelmees is het geluid in het veld niet betrouwbaar te scheiden — wie ze uit elkaar wil houden, moet naar de kop kijken.

Luister: RoepXC1175018

Opname: Bo Shunqi 薄顺奇 — CC BY-NC-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Nog kleiner en ronder dan de grijskeeldiksnavelmees: elf tot twaalfeneenhalve centimeter, waarvan het grootste deel staart. De snavel is heel kort, hoog en bol, hoornkleurig tot grijsbruin met een lichtere punt. De hele vogel is warm en eenkleurig: kruin en voorhoofd zijn roodbruin en gaan zonder scherpe grens over in de wang, de nek en de mantel, zodat de kop één toon lijkt te hebben. Keel en bovenborst zijn roze tot lichtwijnrood met fijne, vage streepjes — de kleur die de soort haar Engelse naam bezorgde. De vleugel toont kastanjerode zomen op de armpennen en de dekveren, wat bij een vogel in de zon een roestige gloed geeft. De iris is donker, zonder duidelijke oogring. De staart is zeer lang en getrapt. Jonge vogels zijn donkerder en egaler op de bovendelen. Man en vrouw zijn niet te scheiden.

Verwarrings­soorten

Het hele probleem is de grijskeeldiksnavelmees, die in hetzelfde Lombardische riet zit — daar staat hetzelfde verschil vanaf de andere kant beschreven. Die is iets groter en heeft een tweekleurige kop: de kastanjebruine kruin is scherp afgesneden tegen een duidelijk grijze wang, keel en bovenborst, met fijne donkere streepjes op de grijze keel. Bij de bruinkop is er van dat grijs niets te zien: kruin, wang en keel gaan vloeiend in elkaar over en de keel is roze, niet grijs. Kijk dus niet naar de kruin — die is bij allebei roodbruin — maar naar de wang. En houd er rekening mee dat er in dit gebied tussenvormen rondvliegen; een vogel die er tussenin zit, laat je ongedetermineerd. Verder deelt daar alleen het baardmannetje dit biotoop: veel groter, okerbruin, met een gele spitse snavel en bij het mannetje een zwarte hangsnor. De staartmees heeft dezelfde silhouetstaart maar een zwart-wit-roze kop en een dun snaveltje, en zit in struweel.

Leefgebied

In Lombardije en Piemonte gebonden aan natte ruigte in het laagland: rietkragen, verlandende moerasoevers, greppel- en kanaalkanten en de overgangszone van riet naar wilgen- en spireastruweel, vaak met late guldenroede. Ook langs rijstvelden en op ruige spoor- en wegbermen met riet. In Oost-Azië zit hij daarnaast volop in struweel, bamboe, theeplantages en zelfs stadstuinen — die brede biotoopkeuze is de reden dat men aannam dat hij in Europa verder zou komen dan hij tot nu toe is gekomen. Klimt in groepjes langs stengels, laag boven het water. Eet insecten, kleine vruchten en zaden, en in de winter wat er in dode rietstengels overwintert.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Van nature een vogel van Oost-Azië: van het noorden van Indochina noordwaarts tot Mantsjoerije en het zuiden van het Verre Oosten, plus het Koreaans schiereiland en Taiwan; op het vasteland vrijwel overal beneden 1400 meter, op Taiwan tot 3100 meter. In Europa alleen in Lombardije en Piemonte, in hetzelfde gebied als de grijskeeldiksnavelmees: de moerassen rond het Lago di Varese, de Palude Brabbia, het dal van de Ticino en de rietvelden richting Lago Maggiore en Piemonte. Die stand gaat terug op de ontsnapping van omstreeks honderdvijftig handelsvogels in 1995. De Lombardische checklist voert hem als ingeburgerde broedvogel op. Hoeveel van de enkele duizenden vogels in het gebied tot deze soort horen, is niet uitgezocht — daar zit precies het probleem.

  • Jaarrond
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Dezelfde plekken als voor de grijskeeldiksnavelmees: de Palude Brabbia bij Varese en de rietvelden langs de Ticino. Zoek het gekwetter, blijf op het pad en wacht tot een vogel boven in een stengel klimt. Neem daarna alle tijd voor één ding: de wang. Ziet die er even warm bruin uit als de kruin, dan heb je deze soort; is er een duidelijke grijze kap, dan de andere. Maak in twijfelgevallen een foto — de kleuren zijn in het veld bedrieglijk bij tegenlicht, en een beeld laat zich naderhand rustig beoordelen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern); in Oost-Azië een van de talrijkste kleine zangvogels, tot in tuinen en parken. In Europa gaat het om een exoot die teruggaat op ontsnapte handelsvogels, met een areaal van hooguit enkele tientallen kilometers doorsnee. Hoe het met deze populatie gaat, is niet met zekerheid te zeggen: de vogels in Lombardije en Piemonte zijn nooit soort voor soort geteld, en oudere bronnen behandelden beide soorten als één. De Lombardische lijst noemt alleen deze naam, terwijl de literatuur over hetzelfde gebied vooral over de grijskeeldiksnavelmees gaat. Van schade is niets aangetoond. In theorie is er voedselconcurrentie met rietgors en kleine karekiet, en in het riet zou verdringing kunnen spelen, maar geen enkele studie heeft een afname van een inheemse soort aan deze vogels gekoppeld. Het rietmoeras daar krimpt, en beide diksnavelmezen hangen er volledig van af. De soort staat niet op de Europese lijst van zorgwekkende invasieve exoten.

Wetenschappelijke naam

Suthora webbiana | Gould, 1852 (GBIF: Sinosuthora webbiana)

Gould beschreef de soort in 1852 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Suthora werd in 1837 ingevoerd door Hodgson. Suthora is het Nepalese woord voor de zwartkeeldiksnavelmees, Suthora nipalensis. webbiana eert de Engelse botanicus Philip Barker Webb (1793–1854). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Shanghai in China.