Alle soorten › Zangvogels › Buulbuuls › Grauwe buulbuul

Grauwe buulbuul | Pycnonotus barbatus

Common Bulbul | Bulbul naranjero | Graubülbül | בולבול אפריקני | Bulbul des jardins

In heel Noord-Afrika bepaalt de grauwe buulbuul het geluidsdecor van tuinen, oases en dorpspleinen: een bruine, langgestaarte zangvogel met een vol en helder fluitliedje. Sinds 2013 broedt hij ook aan de Europese kant van de Straat van Gibraltar, en daarmee is hij de eerste buulbuul die het Europese vasteland op eigen kracht is binnengelopen.

Grauwe buulbuul (Pycnonotus barbatus)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een korte, luide en vloeiende reeks van acht tot tien fluittonen, ongeveer twee seconden lang en wat rollend; klassiek weergegeven als dok-ter-vlug, dok-ter-vlug. Vanaf het eerste licht is het in een Noord-Afrikaanse tuin het eerste dat je hoort. De contactroep is een scherp, doordringend tsjip-tsjip-tsjip, bij onraad overgaand in een raspend tsjrr. Jaarrond te horen, het meest van februari tot juni.

Luister: RoepXC1163404

Opname: Zsombor Károlyi — CC BY-NC-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Slank gebouwd, met een vrij grote kop en een lange, rechte staart die het silhouet uitgerekt maakt — ongeveer het formaat van een spreeuw, maar veel langer van achteren. De kop is roetbruin tot zwartig en loopt door tot onder het oog en over de keel; die donkere kap steekt scherp af tegen de dofbruine mantel en vleugels. De onderdelen zijn vuil grijswit, op de borst iets donkerder gewassen; de onderstaartdekveren zijn bij de Noord-Afrikaanse vogels wit, bij de ondersoorten van de Sahel en Oost-Afrika geel. De snavel is dun, zwart en licht gebogen, met stugge borstelharen aan de basis. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer, met een bruinere kap en roestige veerzomen op de vleugel. Bij opwinding zet de vogel de kruinveren op, zodat de kop even puntig oogt, maar een echte kuif heeft hij niet.

Verwarrings­soorten

In de Maghreb en het zuiden van Iberië is er geen echte verwarringssoort: een vogel ter grootte van een spreeuw, egaal bruin, met donkere kop en lange staart, laag door struikgewas hippend, is hier de grauwe buulbuul. Als silhouet tegen de lucht lijkt hij op een vrouwtje merel, maar de merel is forser, heeft een gele of hoornkleurige snavel en beweegt zich met sprongen over de grond in plaats van door de struik. Vanaf de Nijl en de Sinaï verandert het beeld: daar volgt de Arabische buulbuul, met een zwartere kop, een witte oogring en felgele onderstaartdekveren. De roodoorbuulbuul, die in Valencia rondvliegt, heeft altijd een spitse zwarte kuif, een rode wangvlek en rode onderstaartdekveren en is nooit egaal bruin.

Leefgebied

Vrijwel alles met struiken of bomen dat niet gesloten is: tuinen en parken, hotelterreinen, boomgaarden, olijf- en arganaanplant, oleanderstruweel langs droogvallende rivieren, macchia (de Italiaanse naam voor de maquis), tuinbouwpercelen en oases. Gesloten bos en open woestijn mijdt hij even beslist. Het voedsel bestaat voor ongeveer driekwart uit vruchten — vijgen, dadels, moerbeien, olijven, oleasterbessen — aangevuld met bloemen, nectar en insecten, waarmee hij een van de belangrijkste zaadverspreiders van de Maghreb is. Het nest is een losse kom in de vork van een struik of lage boom, op één tot enkele meters hoogte.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Het hele noorden van Afrika, van de Maghreb en de Westelijke Sahara oostwaarts tot in het Nijldal, en van daaruit in andere ondersoorten door de Sahel en Oost-Afrika tot diep in de tropen — het areaal reikt dus veel verder dan het gidsgebied. Binnen Europa broedt hij in Ceuta en Melilla, met een tiental paren, en sinds 2013 ook op het Europese vasteland aan de Straat van Gibraltar bij Tarifa, met enkele paren tot in de provincie Málaga. De vogels zijn honkvast en breiden zich langzaam uit.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De eenvoudigste manier is een ontbijtterras in Marrakesh, Agadir of Tunis: vanaf zonsopgang zingen de mannetjes vanaf de top van een oleander of een lantaarnpaal, en ze laten zich tot op enkele meters benaderen. Wie hem in Europa wil zien, moet in het voorjaar de tuinen en tamarisken rond Tarifa en de monding van de Río Jara aflopen en op het fluitliedje letten; het is er nog een zaak van geduld en enkele paren.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en over vrijwel het hele areaal algemeen tot zeer algemeen. De soort profiteert van tuinen, irrigatie en stadsgroen en breidt zich in Noord-Afrika eerder uit dan dat ze afneemt. De populatie op het Europese vasteland is klein en kwetsbaar: het gaat om enkele paren aan de kuststrook van Cádiz en Málaga, waar het weghalen van struweel en de bebouwing van de kust de voornaamste bedreiging vormen. In Ceuta blijft de populatie op peil door contact met de vogels uit het omringende Noord-Afrika.

Wetenschappelijke naam

Pycnonotus barbatus | (Desfontaines, 1789)

Desfontaines beschreef de soort in 1789 als Turdus barbatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pycnonotus werd in 1826 ingevoerd door Boie. Pycnonotus is Grieks, van puknos 'dicht, compact' en -nōtos 'gerugd', van nōton 'rug', naar het dichte verenkleed van de rug. barbatus is Latijn voor 'gebaard', van barba 'baard'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de omgeving van Algiers.