Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Lachstern
Lachstern | Gelochelidon nilotica
Gull-Billed Tern | Pagaza piconegra | Lachseeschwalbe | שחפית עבת-מקור | Sterne hansel
De lachstern is een stern met het postuur en de snavel van een meeuw, die niet boven zee bidt maar boven grasland en ondergelopen akkers naar insecten jaagt. In Noordwest-Europa is hij een zeldzaamheid geworden; in het zuiden van Iberië kun je hem nog met tientallen tegelijk zien.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
De naam komt van de roep: een nasaal, iets krakend ka-wek, met de klemtoon op de tweede lettergreep, en bij onrust een herhaald kè-wè kè-wè. Het klinkt eerder als een lach dan als het scherpe geschreeuw van andere sterns. Je hoort het boven kwelders, rijstvelden en drassig grasland, vooral wanneer vogels laag jagend over het land trekken.
Opname: Joost van Bruggen — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Forser en breder gevleugeld dan een grote stern, met een korte, ondiep gevorkte staart en lange zwarte poten die in vlucht opvallen. De snavel is dik, stomp en geheel zwart, meer meeuwen- dan sternachtig. In zomerkleed een egale zwarte kap tot in de nek, verder heel lichtgrijze bovendelen en witte onderdelen; in winter- en jeugdkleed verdwijnt de kap en blijft een donkere vlek door en achter het oog staan, wat een gemaskerd gezicht oplevert. In vlucht ogen de handpennen zilvergrijs met een donkere achterrand; de vleugelslag is traag en zwevend, zonder het driftige bidden van andere sterns.
Verwarringssoorten
Grote stern is slanker, heeft een zwarte snavel met gele punt, een ruige kuif, kortere poten en duikt met een klap in het water. Visdief en Noordse stern zijn kleiner, roodsnavelig en veel lichter gebouwd. In winterkleed lijkt een lachstern door de witte kop en het oogmasker eerder op een kleine meeuw; de zwarte, korte snavel en de lange zwarte poten hakken dan de knoop door. Reuzenstern is veel groter met een dieprode snavel.
Sterns vergelijken: snavel, poten, kop en staart naast elkaar
Leefgebied
Zoutpannen, lagunes, riviermondingen, rijstvelden en steppemeren, met kolonies op kale eilandjes en oeverwallen. Foerageert vaak boven land: hij pakt sprinkhanen, libellen, kikkers, hagedissen en jonge vogels in het voorbijgaan van de vegetatie, en volgt in Iberië geregeld tractoren over pas geploegd land. Om te broeden kiest hij droge, kale grond vlak bij ondiep water, vaak in gezelschap van visdieven en kluten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
De belangrijkste Europese broedgebieden liggen in Iberië, met de marismas (getijdenmoerassen van de Guadalquivirmonding, deels verzilt) van de Guadalquivir, de Ebrodelta en de Andalusische zoutpannen, aangevuld door kleine populaties in Noordwest-Europa, elders rond de Middellandse Zee en rond de Zwarte Zee. De hele populatie overwintert in West-Afrika.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Een bezoek aan Doñana of de Ebrodelta loont in mei en juni, in de vroege ochtend boven rijstvelden en zoutpannen, wanneer de vogels laag en zoekend rondtrekken. Ga bij twijfel op de snavel af: een dikke, geheel zwarte snavel op een stern ter grootte van een grote stern laat weinig ruimte voor iets anders.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar de Europese populatie is klein en gaat achteruit. Ontwatering van moerassen, het opheffen of intensiveren van traditionele zoutpannen, verstoring van kolonies op eilandjes en het gebruik van insecticiden in het omringende landbouwgebied zijn de belangrijkste oorzaken. Bescherming van de Iberische kernkolonies bepaalt in feite hoeveel lachsterns Noordwest-Europa in de nazomer nog ziet.
Wetenschappelijke naam
Gelochelidon nilotica | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Sterna nilotica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Gelochelidon werd in 1830 ingevoerd door Brehm. Gelochelidon is Grieks, van gelaō 'lachen' en khelidōn 'zwaluw'. nilotica is Latijn voor 'van de Nijl', naar de streek waar het beschreven exemplaar vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte.



