Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Morinelplevier
Morinelplevier | Eudromias morinellus
Eurasian Dotterel | Chorlito carambolo | Mornellregenpfeifer | חופמי ערבה | Pluvier guignard
Een ronde, kortsnavelige bergplevier met een brede witte wenkbrauw die op het achterhoofd samenkomt. Het vrouwtje is feller gekleurd, legt de eieren en laat het broeden en de jongen volledig aan het mannetje over.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
Een zacht, wat rollend pwiet-pwiet, veel minder luid dan het heldere fluitje van de goudplevier en op enige afstand al nauwelijks te horen. Trekkende groepjes laten in augustus en september een kort dwiet vallen, meestal vlak voordat ze op een akker invallen. Op de broedplaats klinkt een gedempt, trillend rollen.
Opname: Hans van Loon — CC BY-NC-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Compacte plevier met gele poten en korte zwarte snavel. In broedkleed een grijze borst met smalle witte band eronder, een oranjebruine buik met zwarte vlek en brede witte wenkbrauwen die op het achterhoofd in een V samenkomen. In winter- en jeugdkleed blijven wenkbrauw en borstband zichtbaar op geschubd okerbruin. In vlucht een egale bovenvleugel zonder vleugelstreep, met donkere stuit en lichte ondervleugel.
Verwarringssoorten
De goudplevier is groter en langvleugeliger en oogt van boven goudgeel gespikkeld in plaats van okerbruin geschubd. Beslissend zijn de brede witte wenkbrauwen die bij de morinelplevier op het achterhoofd samenkomen, en de smalle witte band dwars over de borst. In vlucht toont de goudplevier een witte ondervleugel met witte oksels; de morinelplevier oogt van onderen egaal grijzig.
Leefgebied
Broedt op kale hoogvlakten boven de boomgrens: korstmostoendra, keienvelden en windgeschuurde bergruggen in de Schotse Hooglanden, Scandinavië, de Alpen en de Pyreneeën. Op trek zoekt hij juist vlak, kaal cultuurland op: pas geploegde akkers, aardappelruggen, stoppels en kale poldergrond, altijd met wijd uitzicht en nauwelijks vegetatie.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van de noordelijke toendra en van hooggebergte, van de Schotse Hooglanden en Scandinavië tot ver in Siberië, met kleine populaties in de Alpen en de Pyreneeën. Overwintert in een smalle strook van Noordwest-Afrika tot het Iraans Hoogland. In Noordwest-Europa is hij een schaarse doortrekker van vaste akkers; door Iberië trekt hij door, met enkele broedparen in de Pyreneeën.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Ga eind augustus of begin september op pad en kom vroeg in de ochtend voordat de vogels opwarmen en gaan foerageren. Blijf op de weg: de soort is tam, maar groepjes lopen bij verstoring meteen uiteen. Scan met de telescoop, want een rustende morinel lijkt sprekend op een kluit aarde.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). In Europa gaat de soort achteruit; de populatie in de Schotse Hooglanden is sterk geslonken en ook Scandinavische broedgebieden lopen leeg. Opwarming duwt het geschikte hooggebergteklimaat omhoog en laat kale toppen dichtgroeien. Op trek hangen de vogels aan een handvol traditionele akkers, die door een andere gewaskeuze of vroegere grondbewerking zomaar kunnen verdwijnen.
Wetenschappelijke naam
Eudromias morinellus | (Linnaeus, 1758) (GBIF: Charadrius morinellus)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Charadrius morinellus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Eudromias werd in 1830 ingevoerd door Brehm. Eudromias is Grieks voor 'goede loper', van eu 'goed' en dromas 'renner'. morinellus is een verkleinvorm bij Grieks mōros 'dwaas', naar de tamheid van de vogel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.



