Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Bontbekplevier
Bontbekplevier | Charadrius hiaticula
Common ringed plover | Chorlitejo grande
Compact, rond en fel getekend, rent de bontbekplevier in korte spurtjes over het slik en stopt dan abrupt om te pikken. Op het wad is hij jaarrond te zien, met de grootste aantallen tijdens de doortrek van noordelijke vogels.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
Een zacht, opgewekt en tweelettergrepig toe-lie, oplopend aan het eind, dat overal langs de vloedlijn klinkt. In baltsvlucht een ritmisch herhaald toewie-toewie-toewie boven de broedplaats. Roept jaarrond, vooral bij het opvliegen en op nachtelijke trek in augustus en september.
Opname: Joost van Bruggen — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Steviger en ronder dan de kleine plevier, met een brede zwarte borstband, zwart masker en witte voorhoofdsvlek. De snavel is oranje met een zwarte punt, de poten helder oranje. In vlucht loopt een brede witte streep over de hele vleugel. In winterkleed en bij jonge vogels zijn zwart en oranje vervangen door bruin en vaal geeloranje, en oogt de borstband smaller en soms onderbroken.
Verwarringssoorten
Verwarring vooral met de kleine plevier: die mist de witte vleugelstreep, heeft een gele oogring, een geheel donkere snavel en dofgele poten. De strandplevier is bleker en langpotiger en heeft altijd een onderbroken borstband, met geheel zwarte snavel en donkere poten. In vlucht is de vleugelstreep van de bontbekplevier het breedst.
Leefgebied
Zand- en schelpenstranden, slikplaten, kwelderranden en droogvallende platen; broedt op kale schelpenbanken, opgespoten terreinen en in het noorden op toendra. Buiten de broedtijd vooral op estuariene slikken, waar hij op zicht jaagt en verspreid en solitair blijft foerageren tussen andere steltlopers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van Noordwest-Europa tot de arctische toendra van Groenland en Siberië, en waar een vogel heen gaat hangt af van waar hij vandaan komt. De Scandinavische broedvogels trekken zuidwest naar West-Europa, Iberië en de Noord-Afrikaanse kust, en de verste tot in Ghana en Benin; de IJslandse en Groenlandse vogels blijven noordelijker en overwinteren op de Britse Eilanden, in Zuidwest-Frankrijk en in Iberië. De hoofdroute volgt de Atlantische kust. Langs de Noordzee — de Waddenkust, de Delta — een schaarse broedvogel maar een talrijke doortrekker en wintergast; op de Britse Eilanden en langs de Franse kust jaarrond. In Iberië en Noord-Afrika vooral doortrekker en overwinteraar in estuaria en delta's; in het binnenland van Midden-Europa alleen op doortrek. De wegtrek begint in augustus, de terugtrek piekt in maart en april.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Ga in mei of augustus twee uur na hoogwater naar een slikplaat en volg de terugtrekkende waterlijn; bontbekplevieren foerageren dan verspreid op het verse slik. Let op het typische ritme van stoppen, rennen en pikken, dat de soort al verraadt voordat het verrekijkerbeeld scherp is.
Staat van instandhouding
De arctische populaties zijn nog talrijk, maar de West-Europese broedvogels gaan achteruit door recreatiedruk op stranden, kustversterking en predatie. In Nederland is de broedpopulatie sterk geslonken terwijl de doortrekaantallen redelijk stabiel blijven. Verstoring van hoogwatervluchtplaatsen is een aanhoudende zorg.
Wetenschappelijke naam
Charadrius hiaticula | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Charadrius voerde hij in datzelfde werk in. Charadrius is laat-Latijn, uit het Griekse kharadrios: een onopvallend gekleurde nachtvogel van ravijnen en rivierdalen, van kharadra 'ravijn'. hiaticula is laatmiddeleeuws Latijn voor een plevier. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.



