Alle soorten › Trapachtigen › Trappen › Oostelijke kraagtrap
Oostelijke kraagtrap | Chlamydotis macqueenii
MacQueen's Bustard | Hubara asiática | Steppenkragentrappe | חוברה מדברית | Outarde de Macqueen
Een woestijntrap uit Centraal-Azië die maar een handvol keren in Europa is vastgesteld. Elke waarneming roept tegenwoordig twee vragen op in plaats van één: is het de goede soort, en is het een wilde vogel? De valkerij heeft de soort in het Midden-Oosten aan beide kanten veranderd, als jachtwild en als kweekproduct.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
Vrijwel altijd zwijgzaam. Een baltsende man laat een laag, hijgend zuchten horen dat alleen op enkele tientallen meters te horen is. Van een dwaalgast in Europa hoef je geen geluid te verwachten.
Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Slank en hoogpotig, kleiner dan de grote trap maar met een veel langere hals. De bovendelen zijn zandkleurig met zwarte pijlpunttekening, de onderdelen wit. Langs de zijkant van de witte hals loopt een smalle zwarte band van losse, verlengde veren die in balts als een brede kraag wordt gespreid; op de kruin staat een zwart-witte kuif. In vlucht valt een groot wit veld aan de basis van de handpennen op, met zwarte punt, terwijl de hals recht vooruit wordt gestrekt en de vleugelslag traag en soepel is.
Verwarringssoorten
De Westelijke kraagtrap, Chlamydotis undulata, van Noord-Afrika en de Canarische Eilanden is kleiner, donkerder en dichter getekend op de rug, met een kortere kuif en minder wit in de vleugel; op de Canarische Eilanden komt uitsluitend die soort voor. Vrouwtjes grote trap zijn zwaarder gebouwd, korter van hals en missen de zwarte halsstreep. Op grote afstand in trillende lucht lijkt elke trap op elke andere; werk met de halslengte en het vleugelpatroon.
Leefgebied
Halfwoestijn en droge steppe met verspreide dwergstruiken: alsem, saxaul (zoutbestendige woestijnstruik van Centraal-Azië) en zoutplanten op zand- en kleivlakten, en kale grindvlakten waar de begroeiing nauwelijks tot de knie komt. De vogel loopt hier grote afstanden en vertrouwt volledig op zijn schutkleur: hij drukt zich plat bij gevaar en vliegt pas op als je er bijna bovenop staat.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van de Sinaï en Arabië oostwaarts door het Iraans Hoogland en Centraal-Azië tot aan de Gobi; de noordelijke vogels overwinteren in het noordwesten van het Indisch subcontinent. In Europa gaat het om een handvol overwegend negentiende-eeuwse gevallen, verspreid van het noordwesten tot het zuidoosten van het continent.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Wie de soort wil zien reist in april naar de steppen en halfwoestijnen van Centraal-Azië, of in december en januari naar de Rann van Kutch in Gujarat, waar overwinterende vogels de zoutvlakten aflopen. Bij een Europese kandidaat geldt vooral: fotografeer de poten en de vleugelbasis. Ringen, enkelbandjes of slijtplekken van riemen aan de loopbenen zijn het eerste waar een commissie naar kijkt.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar op de wereldlijst en overal in de broedgebieden afnemend door jacht met valken en verlies van steppe. Tegelijk worden er in het Midden-Oosten en Centraal-Azië jaarlijks tienduizenden gekweekte vogels losgelaten en ontsnappen er geregeld valkeniersvogels. Daardoor is de herkomst van een Europese waarneming moeilijk vast te stellen: een deel van de recente gevallen rond de oostelijke Middellandse Zee gaat terug op uitgezette vogels, en juist daarom wegen de oude gevallen van vóór de kweekprogramma's zwaarder.
Wetenschappelijke naam
Chlamydotis macqueenii | (Gray, 1832)
Gray beschreef de soort in 1832 als Otis macqueenii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chlamydotis werd in 1839 ingevoerd door Lesson. Chlamydotis is Grieks, van khlamus 'ruitermantel met verzwaarde punten' en otis 'trap'. macqueenii eert generaal Thomas MacQueen (1792–1840), officier in het Bengaalse leger van de Britse Oost-Indische Compagnie, die het eerste exemplaar aan het British Museum schonk. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Himalaya.


