Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Toendrarietgans

Toendrarietgans | Anser serrirostris

Tundra Bean-Goose | Ánsar campestre de la tundra | Tundrasaatgans | אווז אחו טונדרה | Oie de la toundra

De algemeenste rietgans van Noordwest-Europa: gedrongen, kortsnavelig en in grote troepen op akkers en graslanden. Ze is de talrijke winterse tegenhanger van de veel zeldzamere taigarietgans.

Toendrarietgans (Anser serrirostris)
Hoofdfoto · Foto: Mike's Birds — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Diep, nasaal en tweelettergrepig, kajak of ung-ank, iets hoger en sneller dan de taigarietgans maar in het veld nauwelijks te scheiden. Grote troepen produceren een laag, aanhoudend gebrom. Vooral te horen bij het opvliegen in de schemering, van oktober tot maart.

Luister: Roep in vluchtXC512591

Opname: Jochem Verweij — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Middelgrote, gedrongen gans met een korte, dikke hals en een korte, hoge snavel die overwegend zwart is met een smalle oranje band achter de nagel. Kop en hals zijn donker chocoladebruin en warm van toon, het lichaam grijsbruin met duidelijke bleke veerranden. Poten oranje. De voorvleugel is donker, zonder enig grijs.

Verwarrings­soorten

Taigarietgans is groter en langer van hals, met een lange wigvormige snavel met veel meer oranje en een vlakker voorhoofd. Kleine rietgans heeft roze poten, een roze snavelband en een grijze voorvleugel. Kolgans heeft een witte bles en een geheel roze snavel. Beoordeel de snavelvorm altijd in strikt profiel.

Leefgebied

Op suikerbietenland, graanstoppels, maisresten en vochtig grasland, met slaapplaatsen op grote plassen, meren en het IJsselmeer. Vaak in gemengde troepen met kolganzen. Broedt op de arctische toendra van Noord-Rusland en Siberië, bij poelen en meanderende riviertjes, in een landschap zonder bomen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt van Novaja Zemlja en het Jamal-schiereiland tot ver in Siberië en overwintert in Noordwest- en Midden-Europa, van de zuidelijke Noordzeekust tot de Baltische streek. Belangrijke concentraties liggen in Flevoland, Friesland, Groningen en Noord-Limburg. In Iberië is de soort een zeldzame dwaalgast die alleen bij strenge winters incidenteel zo ver doorschuift.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

November tot februari, in de vroege ochtend als de troepen van de slaapplaats naar de bietenakkers trekken. De Flevopolders, het Lauwersmeer en Noord-Groningen zijn betrouwbaar. Scan met de telescoop rij voor rij op poot- en snavelkleur, en bekijk kandidaat-taigarietganzen daarna in strikt profiel voordat je een conclusie trekt.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). De winteraantallen aan de zuidelijke Noordzeekust schommelen sterk met de strengheid van de winter, en met zachte winters verschuift het zwaartepunt naar het noordoosten. De populatie lijkt op de lange termijn stabiel tot licht afnemend. Jacht in delen van de trekroute en veranderingen in het akkerbouwlandschap vormen de belangrijkste onzekerheden.

Wetenschappelijke naam

Anser serrirostris | Gould, 1852

Gould beschreef de soort in 1852 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Anser werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Anser is het Latijnse woord voor 'gans'. serrirostris is Latijn, van serra 'zaag' en rostrum 'snavel', naar de zaagvormige snijranden van de snavel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Shanghai in China.