Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Aardtapuit

Aardtapuit | Oenanthe pileata

Capped Wheatear | Collalba Capirotada

De aardtapuit is de rechtop staande tapuit van kaal, kort begraasd of afgebrand terrein, met een zwarte kap en een brede zwarte borstband die als een halsband om de witte keel ligt. Hij broedt in holen van knaagdieren en springhazen en zingt in een fladderende zangvlucht. In de winter trekken veel vogels uit het koude binnenland naar het noorden.

Aardtapuit (Oenanthe pileata)
Foto: Brian du Preez — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een gevarieerd, kwetterend gezang van harde en fluitende noten, tsjie-tsjuk-wiet-tsjirr, rijk aan nabootsingen van andere vogels, gezongen vanaf een termietheuvel of in een korte fladderende zangvlucht met gespreide staart. De roep is een scherp tsjik-tsjik, ook 's nachts te horen.

Luister: ZangXC837551

Opname: Ehren Eksteen — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Een langpotige tapuit van 17 tot 18 cm. Volwassen vogels hebben een wit voorhoofd en een witte wenkbrauwstreep onder een zwarte kruin, een zwart masker dat doorloopt in een brede zwarte borstband, een witte keel en witte onderdelen met een bruine zweem op de flanken. De rug is warm grijsbruin, de stuit wit en de staart zwart met een witte basis, zodat een zwarte omgekeerde T ontstaat. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels missen de zwarte kop- en borsttekening: ze zijn bruin met fijne lichte vlekken op de bovendelen en een vage donkere borstband. Staat zeer rechtop, rent snel en wipt met de staart.

Verwarrings­soorten

De tapuit (Oenanthe oenanthe) is kleiner en korterpotig, zonder zwarte kap of borstband en zonder gevlekte bovendelen; het is in het gebied een zeldzame gast. De streeptapuit (Campicoloides bifasciatus) heeft een zwart gezicht en een zwarte keel maar een gestreepte bruine rug, een okergele stuit en geen wit in de staart. De vlaktespekvreter (Emarginata sinuata) mist zwart op kop en borst en heeft een roestbruine staartbasis in plaats van een witte.

Leefgebied

Kort begraasd of afgebrand grasland, kale vlakten in de Karoo, droge pannenranden, braakland, akkers na de oogst en vliegvelden, overal waar de vegetatie laag en de bodem open is. Foerageert op de grond op kevers, mieren en termieten. Nestelt in een hol van een knaagdier, springhaas of aardvarken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijdverspreid over het hele gebied, behalve in dicht bos en de vochtige kustlaagvlakte van Mozambique. Broedt in de zomer talrijk op het Hoëveld, in de Vrijstaat, de Karoo, Namibië en Botswana; na de broedtijd trekken veel vogels van april tot augustus noordwaarts naar Zimbabwe, Zambia en Mozambique, terwijl verder naar het noorden, in Angola en Zambia, ook standvogels leven. Buiten het gebied tot in Kenia, Oeganda en het zuiden van Ethiopië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek hem na een veldbrand of in pas beweid grasland op het Hoëveld en in de Vrijstaat, van september tot maart. Rijd langzaam en let op rechtop staande vogels op termietheuvels en molshopen. Jonge vogels met hun gevlekte rug veroorzaken vaak verwarring met de tapuit; let op de vage donkere borstband en het forse postuur.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort profiteert van begrazing en regelmatige branden die het terrein open houden. Lokaal verdwijnt ze waar grasland wordt omgezet in bebossing of intensieve akkerbouw.

Wetenschappelijke naam

Oenanthe pileata | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Motacilla pileata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oenanthe werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Oenanthe gebruikte Aristoteles voor een vogel die niet meer thuis te brengen is; het woord komt van het Griekse oinos, oinoē 'wijn, wijnstok' en anthos 'bloem, bloei'. pileata is Latijn voor 'met een kap', van pileus, 'vilten muts' — naar de zwarte kruin en borstband. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.