Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Aasgier
Aasgier | Neophron percnopterus
Egyptian Vulture | Alimoche Común
De aasgier is een kleine, witte gier met een kaal geel gezicht, een dunne snavel en een wigvormige staart. Hij broedde vroeger in het zuiden en oosten van Zuid-Afrika, maar is daar in de eerste helft van de twintigste eeuw verdwenen; tegenwoordig is hij een zeldzame dwaalgast in het gebied.
Geluid
Meestal stil. Bij het nest of aan een karkas zacht gemiauw, gesis en grommende tonen.
Opname: Mischa Keijmel — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
58–71 cm, spanwijdte 155–170 cm. Volwassen vogels zijn vuilwit, vaak geelbruin gevlekt door vuil, met zwarte handpennen en grijszwarte armpennen. Het gezicht is kaal en felgeel tot oranje, de nek draagt een ruige manen van lange, puntige veren. De snavel is dun en lang, met een zwarte haakpunt. In de vlucht vallen de witte vleugeldekveren met de zwarte slagpennen en de witte, sterk wigvormige staart op. Jonge vogels zijn donker chocoladebruin met een grijze gezichtshuid en worden in vier tot vijf jaar geleidelijk witter.
Verwarringssoorten
De palmgier Gypohierax angolensis heeft een zware snavel, zwarte armpennen en een zwarte staart met witte eindband. De ooievaar Ciconia ciconia heeft in de vlucht een vergelijkbaar zwart-wit vleugelpatroon, maar een lange hals, lange poten en een rode snavel. Jonge aasgieren lijken op de kapgier Necrosyrtes monachus, die echter een korte, afgeronde staart en brede vleugels heeft.
Leefgebied
Open, droog land: savanne, halfwoestijn en berggebieden met rotswanden, ook rond dorpen en vuilnisbelten. Eet aas, afval, uitwerpselen en eieren; de soort staat erom bekend struisvogeleieren met stenen open te slaan. In het broedgebied broedt hij in rotsspleten en op richels.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Broedde tot in de jaren 1920 in de Oost-Kaap en elders in het zuiden van Zuid-Afrika. Er zijn nu slechts enkele waarnemingen per decennium, vooral uit het noorden van Namibië, Botswana, Zimbabwe, de Oost-Kaap en het zuiden van Angola, soms tussen andere gieren aan een karkas. Buiten het gebied in Noord- en Oost-Afrika, de Sahel, Zuid-Europa, het Midden-Oosten en Centraal-Azië tot India.
Hoe en wanneer kijken
Een waarneming is een toevalstreffer: scan groepen gieren aan een karkas of bij een voederplaats op een kleinere, witte vogel met een geel gezicht, en kijk bij rondcirkelende gieren naar een witte wigstaart. Elke waarneming in het gebied is de moeite van een goede documentatie met foto waard.
Staat van instandhouding
Bedreigd op de Rode Lijst; de wereldpopulatie is in enkele decennia sterk afgenomen, vooral in India, Afrika en het Midden-Oosten. Vergiftiging, onder meer met diclofenac en lokaas, aanvaringen met hoogspanningslijnen, jacht en vangst voor traditioneel gebruik en afname van voedsel zijn de belangrijkste oorzaken. In Zuidelijk Afrika is de soort als broedvogel uitgestorven.
Wetenschappelijke naam
Neophron percnopterus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Vultur Perenopterus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Neophron werd in 1809 ingevoerd door De Savigny. Neophron is ontleend aan de Griekse mythologie: Neophron werd door Zeus in een gier veranderd. percnopterus is Grieks, van perknos 'blauwzwart' en pteron 'vleugel': 'zwartvleugelig', naar de zwarte slagpennen in de verder witte vleugel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte.


