Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Witkopgier
Witkopgier | Trigonoceps occipitalis
White-Headed Vulture | Buitre Cabeciblanco
De witkopgier is een middelgrote, bontgekleurde gier met een driehoekige witte kop, een rode snavel met blauwe washuid en een roze gezicht. Anders dan de meeste gieren leeft hij in vaste paren in een eigen territorium en is hij vaak als eerste bij een kadaver, al laat hij het veld daarna aan de grotere soorten.
Geluid
Zwijgzaam. Bij kadavers soms een schril, hoog gekwetter en sissende geluiden bij ruzie met andere gieren.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.
Herkenning
Ongeveer 80 cm, spanwijdte ruim twee meter. De kop is groot en hoekig, bedekt met wit dons dat een kleine kuif vormt. De snavel is fel oranjerood met een lichtblauwe basis, het gezicht roze. Het lichaam is zwartbruin met een witte buik en witte broek, de poten zijn roze. De geslachten zijn in vlucht goed te onderscheiden: het vrouwtje heeft witte binnenste armpennen, het mannetje donkere, en bij beide loopt een smalle witte lijn over de ondervleugel. Jonge vogels zijn egaal donkerbruin met een bruine kop en verkrijgen het kleed van de volwassen vogel in vijf tot zes jaar; ook zij tonen de rode snavel. In de vlucht vallen de witte buik tegen de donkere vleugels en de hoekige, vooruitgestoken kop op.
Verwarringssoorten
De oorgier (Torgos tracheliotos) is veel groter, met een kale rode kop met huidplooien, en heeft alleen witte dijen, geen witte buik. De witruggier (Gyps africanus) heeft een lange nek met kale grijze kop en een donkere snavel. De palmgier (Gypohierax angolensis) is wit met zwarte vleugelpunten en een geel-rode kop, en is gebonden aan palmen langs de kust en rivieren. De bonte kop met de rode snavel en de witte buik zijn kenmerkend.
Leefgebied
Lager gelegen savanne en bosveld met hoge bomen, vooral mopaneveld, miombo en gemengd doornveld; vaak dichter begroeid terrein dan de andere gieren benutten. Eet aas maar ook zelf gedode prooi, zoals jonge antilopen, flamingo's en grote hagedissen, en pakt vaak de kleinere kadavers die grote groepen gieren missen. Nestelt solitair op een platform van takken in de top van een grote boom, zoals een baobab of acacia.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Dun verspreid door de savanne van het noorden en oosten van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, het noorden van Botswana en het noorden van Namibië (onder meer Etosha en de Zambezi-strook). In Zuid-Afrika vrijwel beperkt tot het Krugerpark en omliggende reservaten en tot noordelijk KwaZulu-Natal, verder zeldzaam in Eswatini. Buiten het gebied door de savannegordel van Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal tot Ethiopië en Tanzania, maar vrijwel overal schaars.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoek in grote beschermde gebieden als Kruger, Hwange, South Luangwa en Etosha. Kijk bij een kadaver naar de randen van de groep en boven in de omliggende bomen: de witkopgier landt vaak eerst en houdt afstand van de dringende witruggieren. Paren vliegen vaak samen, zodat vrouwtje en mannetje in de vlucht naast elkaar te vergelijken zijn.
Staat van instandhouding
Ernstig bedreigd op de Rode Lijst, na een sterke en snelle afname over vrijwel het hele verspreidingsgebied. De belangrijkste oorzaken zijn vergiftiging, vooral door stropers die gieren met vergiftigde kadavers doden om niet verraden te worden, en daarnaast bijgelovig gebruik van gierendelen, verlies van leefgebied en afname van wild buiten beschermde gebieden. De populatie in zuidelijk Afrika is grotendeels afhankelijk van grote nationale parken.
Wetenschappelijke naam
Trigonoceps occipitalis | (Burchell, 1824)
Burchell beschreef de soort in 1824 als Vultur occipitalis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Trigonoceps werd in 1842 ingevoerd door Lesson. Trigonoceps komt van het Griekse trigonos, 'driehoekig', en -ceps, 'kop' — naar de hoekige kop met de hoge, platte kruin. occipitalis is Latijn voor 'van het achterhoofd', van occiput — naar de witte, donzige achterkop. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Makkwari (Matlowing-rivier), Botswana.


