Alle soorten › Ooievaarachtigen › Ooievaars › Afrikaanse nimmerzat
Afrikaanse nimmerzat | Mycteria ibis
Yellow-Billed Stork | Tántalo Africano
De Afrikaanse nimmerzat is een witte ooievaar met een rood, kaal gezicht, een lange, gele en licht naar beneden gebogen snavel en zwarte slagpennen en staart. Hij foerageert op de tast: met half geopende snavel in het water staat hij stil of loopt langzaam, en klapt de snavel dicht zodra een vis of kikker hem raakt. Vaak ziet men hem in groepen langs de oever van een rivier of pan.
Geluid
Buiten de kolonie vrijwel stil. Bij het nest snavelklapperen, piepen en gesis; jongen bedelen met een aanhoudend gepiep.
Opname: Bram Piot — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
95–105 cm, spanwijdte 150–165 cm. Het lichaam is wit, in de broedtijd met een roze waas op mantel en vleugeldekveren; slagpennen en staart zijn glanzend groenzwart. Het naakte gezicht en voorhoofd zijn helrood, de snavel is geel en aan de punt iets gebogen. De poten zijn roze tot rood. Jonge vogels zijn grijsbruin met een vuilgele snavel en een doffer, oranjeachtig gezicht, en worden pas geleidelijk wit. In de vlucht wit met zwarte slagpennen en een zwarte staart, hals gestrekt en licht doorhangend, de poten ver uitstekend.
Verwarringssoorten
De ooievaar Ciconia ciconia heeft een rechte, rode snavel, een bevederde kop en een witte staart. De zadelbekooievaar Ephippiorhynchus senegalensis is veel groter, met een zwarte kop en hals en een rood-zwarte snavel. De heilige ibis Threskiornis aethiopicus heeft een zwarte kale kop en een sterk gebogen zwarte snavel en is kleiner. Jonge vogels kunnen op een jonge Afrikaanse gaper Anastomus lamelligerus lijken, maar die is donkerder en heeft een grijze snavel.
Leefgebied
Ondiepe meren, pannen, overstromingsvlakten, rivieroevers, zandbanken, dammen en kustlagunes, soms in estuaria en mangrove. Staat met de snavel half open in het water en roert met de poten om prooi op te jagen: vooral vis, verder kikkers, kreeftachtigen en waterinsecten. Broedt in kolonies in bomen, vaak op eilandjes of boven water, meestal samen met reigers en andere watervogels.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Het meest talrijk in het noorden: de Okavangodelta (met grote broedkolonies) en de Chobe in Botswana, de Caprivi en Etosha in Namibië, Zambia, Malawi, Zimbabwe en Mozambique; ook Angola. In Zuid-Afrika vooral in het laagveld, het Krugerpark en de pannen en meren van noordelijk KwaZoeloe-Natal, zoals rond St. Lucia; verder zuidelijk schaars. In Eswatini onregelmatig. Buiten het gebied in Afrika ten zuiden van de Sahara en op Madagaskar.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De Okavango tijdens de overstroming (juli–oktober) of de pannen van het Krugerpark en noordelijk KwaZoeloe-Natal in de zomer. Let op groepjes witte vogels die stil met de snavel in het water staan; bij een rustige vogel is het tastende vissen goed te volgen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd op de Rode Lijst; wijdverbreid en plaatselijk algemeen. In Zuid-Afrika broedt slechts een zeer klein aantal paren, en daar geldt de soort nationaal als bedreigd. Verlies en verstoring van moerassen en broedkolonies en het droogvallen van pannen zijn de belangrijkste bedreigingen.
Wetenschappelijke naam
Mycteria ibis | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Tantalus Ibis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Mycteria werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Mycteria komt van het Griekse muktēr, 'snuit, neus' — naar de grote, zware snavel. ibis is het Griekse en Latijnse woord voor de heilige ibis van Egypte; Linnaeus hield deze ooievaar ten onrechte voor die vogel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte.

