Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Afrikaanse sperwer

Afrikaanse sperwer | Accipiter rufiventris

Rufous-Breasted Sparrowhawk | Gavilán Papirrufo

De Afrikaanse sperwer is de zuidelijke tegenhanger van de Europese sperwer: een slanke, donkergrijze vogeljager met een roestbruine onderzijde. Hij hoort bij grasland met bosjes en bosranden in het hoogland en heeft zich goed aangepast aan dennen- en eucalyptusaanplant.

Afrikaanse sperwer (Accipiter rufiventris)
Foto: Karen Eichholz — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. In de broedtijd een scherp, herhaald kiew-kiew-kiew of tjek-tjek-tjek, vaak in de vlucht boven het nestbos; het vrouwtje laat bij het nest een klagend wiep horen.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

33–40 cm, spanwijdte 58–77 cm. Volwassen vogels zijn van boven donker leigrijs en van onderen, inclusief wangen en keel, egaal roestbruin, soms met een vage lichtere bandering; de onderstaartdekveren zijn lichter. De staart is grijs met donkere banden. Iris, washuid en poten zijn geel. Het vrouwtje is duidelijk groter dan het mannetje. Jonge vogels zijn donkerbruin van boven en van onderen roomkleurig tot rossig met bruine strepen op de borst en bandering op de flanken, met een lichtbruine tot gele iris. Vliegt met snelle vleugelslagen afgewisseld door korte glijvluchten, typisch voor een sperwer.

Verwarrings­soorten

De Afrikaanse havik Aerospiza tachiro is forser, van onderen wit met roestbruine dwarsbanden, heeft een grijs gezicht en leeft in dicht bos. De rossige jonge Ovambosperwer Accipiter ovampensis heeft een lichte wenkbrauwstreep, een donkere oogstreep en witte vlekjes op de staart. De Oost-Afrikaanse dwergsperwer Tachyspiza minulla is veel kleiner, met een witte stuitband en witte staartvlekken. De shikra Tachyspiza badia is bleekgrijs met fijne roestbanden op een witte ondergrond en leeft in droge savanne.

Leefgebied

Montaan en hoogveld-grasland met bosjes, bosranden en ravijnen, fynbos met bomen en vooral aanplant van dennen, eucalyptus en populieren, tot in parken en tuinen van steden als Johannesburg en Kaapstad. Jaagt op kleine vogels tot duifgrootte, laag langs bosranden en heggen of met verrassingsaanvallen vanuit dekking. Nestelt hoog in een boom, vaak in een uitheemse naaldboom.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het zuiden en oosten van het gebied: Zuid-Afrika van de West-Kaap langs de zuidkust en de Oost-Kaap tot KwaZoeloe-Natal, de Vrijstaat, Gauteng en Mpumalanga, verder Lesotho en Eswatini, het oostelijk hoogland van Zimbabwe en het aangrenzende Mozambique, de hooglanden van Malawi en het noordoosten van Zambia, en het westelijk hoogland van Angola. Verder in de hooglanden van Oost-Afrika tot Ethiopië en plaatselijk in Centraal-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek langs de randen van plantages en bosjes in de Drakensberg, de Oost-Kaap of de Kaapse bergen; vogels jagen laag langs de rand en duiken plots in een groep vinken of mussen. In steden verraden alarmerende tortels en duiven vaak een jagende sperwer. De combinatie van donkergrijze bovenkant, egaal roestbruine onderkant en gele ogen is kenmerkend.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd op de Rode Lijst. De aanplant van uitheemse bomen heeft het leefgebied in Zuid-Afrika eerder vergroot; plaatselijk leidt het kappen van plantages tijdens de broedtijd tot verlies van nesten.

Wetenschappelijke naam

Accipiter rufiventris | Smith, 1830

Smith beschreef de soort in 1830 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Accipiter werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Accipiter is het Latijnse woord voor 'havik', bij accipere 'grijpen'. rufiventris komt van het Latijnse rufus, 'roodbruin', en venter, 'buik' — naar de egaal roestrode onderdelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Afrika (geen vindplaats vermeld).