Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Ovambosperwer

Ovambosperwer | Accipiter ovampensis

Ovambo Sparrowhawk | Gavilán del Ovampo

De Ovambosperwer is een middelgrote, vrij langvleugelige sperwer van hoog bosveld en boomrijke savanne. Hij jaagt bijna uitsluitend op kleine vogels, die hij in snelle achtervolging of met een duikvlucht van grote hoogte slaat, en is overal schaars en onopvallend.

Ovambosperwer (Accipiter ovampensis)
Foto: Matthew Fainman — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten de broedtijd stil. Rond het nest een reeks zachte, oplopende kie-kie-kie-kie-roepen en een klagend kiep; bij verstoring een snel kek-kek-kek.

Luister: RoepXC613465

Opname: Tony Archer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

33–40 cm, spanwijdte 60–75 cm. Volwassen vogels zijn donker blauwgrijs van boven en van onderen, inclusief de keel, geheel fijn grijs en wit dwarsgestreept, zonder roestkleur. Op de bovenkant van de staart liggen korte witte vlekjes langs de schachten van de middelste pennen, en de bovenstaartdekveren vormen vaak een smal wit stuitbandje. De iris is dieprood tot roodbruin, washuid en poten zijn oranjegeel tot oranjerood. Er is een zeldzame zwarte vorm, geheel zwartachtig met dezelfde witte staartvlekjes en oranje poten. Jonge vogels komen voor in een lichte vorm met witachtige, fijn gestreepte onderdelen en in een rossige vorm met roestbruine onderdelen, beide met een lichte wenkbrauwstreep en een bruine iris. De vleugels zijn voor een sperwer lang en vrij spits.

Verwarrings­soorten

De shikra Tachyspiza badia is kleiner, lichter grijs, roestbruin gebandeerd van onderen en heeft ongebandeerde middelste staartpennen. De gabarhavik Micronisus gabar heeft een brede witte stuit, een egaal grijze borst en rode poten; de zwarte vorm van de gabarhavik heeft rode poten en geen witte staartvlekjes. De Oost-Afrikaanse dwergsperwer Tachyspiza minulla is veel kleiner, met rossige flanken en een gele iris. Jonge vogels van de rossige vorm lijken op de Afrikaanse sperwer Accipiter rufiventris, die een egaal roestbruine borst en gele iris heeft en in hoogland leeft.

Leefgebied

Hoog, open bosveld en boomrijke savanne, vooral waar hoge bomen langs rivieren staan; in Zuid-Afrika in toenemende mate in aanplant van populieren en eucalyptus op het hoogveld en rond boerderijen. Jaagt op kleine vogels tot de grootte van een tortel, vaak vanuit de lucht na hoog cirkelen, soms vanaf een verborgen zitplaats. Broedt in een hoge boom, dikwijls hoog in een uitheemse eucalyptus of populier.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Schaars en verspreid over een groot deel van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Zimbabwe, het westen van Mozambique, het noorden en oosten van Botswana, het noorden en midden van Namibië en in Zuid-Afrika vooral in Limpopo, Gauteng, Noordwest, Vrijstaat en Mpumalanga. Zuidelijke broedvogels trekken in de winter deels noordwaarts. Verder schaars en plaatselijk door Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal en Ethiopië tot Kenia en Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De beste kans is in de broedtijd, augustus–december, wanneer vogels in lage kringen boven een populieren- of eucalyptusbos roepen. In de vlucht vallen de voor een sperwer lange, spitse vleugels en de fijn gebandeerde grijze onderkant op. Van dichtbij verraden de witte vlekjes midden op de staart en de oranje poten de soort.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd op de Rode Lijst. Overal schaars maar stabiel; in Zuid-Afrika heeft de aanplant van uitheemse bomen het broedgebied zelfs uitgebreid. Vergiftiging via prooivogels en het kappen van nestbomen zijn plaatselijke risico's.

Wetenschappelijke naam

Accipiter ovampensis | Gurney, 1875

Gurney beschreef de soort in 1875 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Accipiter werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Accipiter is het Latijnse woord voor 'havik', bij accipere 'grijpen'. ovampensis verwijst naar Ovamboland in het noorden van Namibië, het gebied van het Ovambo-volk, bij de typelocatie aan de Okavango. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Okavangorivier, Namibië.