Alle soorten › Roofvogels › Secretarisvogels › Secretarisvogel
Secretarisvogel | Sagittarius serpentarius
Secretarybird | Serpentario
De secretarisvogel is de enige roofvogel die zijn prooi te voet opspoort: op lange poten stapt hij dag na dag door het grasland en doodt slangen, hagedissen en knaagdieren met snelle trappen. Achter op de kop staat een bos zwarte, pennenachtige veren. Van alle roofvogels is dit de langste.
Geluid
Meestal zwijgzaam. Bij het nest en tijdens de baltsvlucht een diepe, keelachtige, kikkerachtige grom: korr-korr, laag en rollend, soms met een gerekte kreun erachteraan. Bij de nestboom klappert het paar ook met de snavel. Jongen bedelen met een hoog, ijl gepiep.
Opname: Niall Perrins — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
125–150 cm hoog, spanwijdte bijna twee meter. Lichtgrijs met zwarte slagpennen, een zwarte broek op de dijen en een kale oranjerode gezichtshuid. Achter op de kop staan tot twintig lange zwarte kruinveren die bij opwinding worden opgezet. De poten zijn zeer lang en grijsroze, met korte, stompe tenen. De twee middelste staartpennen steken ver voorbij de rest uit. De geslachten zijn gelijk; het mannetje heeft gemiddeld langere kruinveren en staartpennen. Jonge vogels hebben een gele in plaats van rode gezichtshuid, zijn bruiner van tint en hebben kortere middelste staartpennen. In de vlucht vallen de brede vleugels, de ver uitstekende staartpennen en de naar achteren gestrekte poten op; de vogel zweeft goed en klimt hoog op thermiek.
Verwarringssoorten
Op de grond is geen andere roofvogel van het gebied hiermee te verwarren. Hoog in de lucht kan een zwevende secretarisvogel op een kraanvogel of een ooievaar lijken; de twee lange middelste staartpennen en de zwarte achterrand van de vleugel geven de doorslag. De paradijskraanvogel mist de zwarte slagpennen en de uitstekende staartpennen en heeft een korte staart.
Leefgebied
Open grasland, savanne met verspreide bomen, de Karoo en licht beboste vlakten; mijdt gesloten bos, dicht struikveld en echte woestijn. Het nest is een breed platform van takken boven op een platgekroonde doornboom, meestal drie tot zeven meter boven de grond.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Dun verspreid over vrijwel het hele gebied: het grootste deel van Zuid-Afrika buiten de bossen en de natste kustzone, Eswatini en de randen van Lesotho, verder Botswana, Namibië, Zimbabwe, Zambia, Malawi, Mozambique en Angola. Buiten het gebied door de hele savannegordel van Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal tot Ethiopië en Somalië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Rijd in de vroege ochtend en de late namiddag langs open grasland en savanne; de vogel loopt gestaag met de kop omlaag en legt tot twintig of dertig kilometer per dag af, zodat hij eerder op een open vlakte dan bij een vast punt wordt gezien. Leden van een paar lopen tientallen meters uit elkaar. Let op het trappen: de vogel slaat met één poot snel achtereen toe en springt terug. In de balts maakt het paar een schommelende vlucht met luide grommen.
Staat van instandhouding
Bedreigd op de Rode Lijst; in 2020 van kwetsbaar naar bedreigd getild na een snelle afname over het hele verspreidingsgebied. Als oorzaken gelden de omzetting van grasland in akkerland en houtplantages, verstruiking van savanne door overbegrazing en veranderde brandregimes, aanvaringen met hoogspanningslijnen en hekwerk, verstoring bij het nest, en in delen van Afrika vangst voor de handel en voor traditioneel gebruik. In Zuid-Afrika loopt een nationaal actieplan voor de soort.
Wetenschappelijke naam
Sagittarius serpentarius | (Miller, 1779)
Miller beschreef de soort in 1779 als Falco serpentarius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sagittarius werd in 1783 ingevoerd door Hermann. Sagittarius is het Latijnse woord voor 'boogschutter', naar de lange, zwarte sierveren in de nek die aan een bundel pijlen doen denken, of naar de stijve, schrijdende pas waarmee de vogel door het gras loopt. serpentarius is Latijn voor 'van de slangen, slangenjager', naar de gewoonte om slangen te doden door erop te trappen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.

