Alle soorten › Uilen › Kerkuilen › Kerkuil

Kerkuil | Tyto alba

Western Barn Owl | Lechuza Común

De kerkuil is de bleke, goudkleurige uil met het witte hartvormige gezicht die over vrijwel de hele wereld voorkomt. In zuidelijk Afrika is hij een van de algemeenste uilen, zowel op boerderijen en in dorpen als in savanne, halfwoestijn en rotsachtig terrein.

Kerkuil (Tyto alba)
Foto: caroline legg — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een langgerekt, schor en sissend gekrijs, shrrrreeeeee, vaak in de vlucht. Rond het nest sissen en snurken de jongen, khhhhh, en de volwassenen maken klikkende geluiden. Geen hoeptonen.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1180661

Opname: Astrid Cervantes — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

30–33 cm, spanwijdte 80–95 cm. De bovenzijde is goudgeel tot oranjebruin, overdekt met fijne grijze wolkjes en witte en zwarte stippels. De onderzijde is wit tot lichtgeel met enkele kleine donkere stippels. De hartvormige gezichtssluier is wit met een smalle oranjebruine rand; de ogen zijn klein en zwart. De poten zijn lang en bevederd, de tenen grijs. In de vlucht lijkt de vogel van onderen bijna geheel wit, met lange vleugels en een korte staart. Het vrouwtje is vaak iets donkerder en sterker gevlekt dan het mannetje.

Verwarrings­soorten

De Kaapse grasuil Tyto capensis heeft een donker chocoladebruine bovenzijde die scherp afsteekt tegen de bleke onderzijde, langere poten en leeft op de grond in hoog, vochtig gras. De Afrikaanse velduil Asio capensis is egaal bruin, met een rond gezicht, donkere ogen en okerkleurige handpenvlakken. Geen andere uil van het gebied is zo bleek.

Leefgebied

Vrijwel elk open of halfopen landschap met een geschikte roest- en broedplaats: boerenland, savanne, doornveld, halfwoestijn, rand van bos en dorpen en steden. Broedt en rust in gebouwen, schuren, holle bomen, mijnschachten, putten, holen in rivieroevers en rotsspleten, soms in hamerkopnesten. Jaagt vooral op knaagdieren, ook op spitsmuizen, vogels, kikkers en insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het hele gebied, van de Kaap en Lesotho tot Angola, Zambia, Malawi en Mozambique, inclusief de Namib en de Kalahari; algemeen tot talrijk in landbouwgebieden. Buiten het gebied in heel Afrika, in Europa en het Midden-Oosten; verwante vormen komen in Azië, Australië en Amerika voor.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de schemering op palen langs landwegen en boven akkers, of bij een oude schuur of silo met braakballen en witte uitwerpselen eronder. Tijdens nachtritten zit de vogel vaak op hekpalen in de lichtbundel. Het langgerekte gekrijs in het donker is vaak het eerste teken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in het gebied wijdverspreid en algemeen. Aanvaringen met verkeer, vergiftiging via rattengif, verdrinking in waterreservoirs en verlies van nestplaatsen door het slopen van oude gebouwen zijn plaatselijk van belang; in delen van het gebied wordt de soort ook om bijgeloof vervolgd. Nestkasten worden goed aangenomen en worden gebruikt voor natuurlijke plaagbestrijding.

Wetenschappelijke naam

Tyto alba | (Scopoli, 1769)

Scopoli beschreef de soort in 1769 als Strix alba; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tyto werd in 1828 ingevoerd door Billberg. Tyto komt van het Oudgriekse tutō 'uil'. alba is Latijn voor 'wit', naar de witte onderdelen en het bleke gezicht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Friuli in Italië.