Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Buizerd
Buizerd | Buteo buteo
Common Buzzard | Busardo Ratonero
De buizerd bereikt zuidelijk Afrika vrijwel uitsluitend als steppebuizerd, de oostelijke ondersoort vulpinus, die broedt van Oost-Europa tot Centraal-Azië en hier de zuidelijke zomer doorbrengt. Van november tot maart is hij de algemeenste middelgrote roofvogel langs de wegen van het binnenland, zittend op palen, draden en dode bomen.
Geluid
In het overwinteringsgebied meestal stil. Soms een klagende, dalende miauw, pieeuw, vooral bij onderling contact of wanneer een vogel door kraaien wordt lastiggevallen.
Opname: Olivier SWIFT — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
45–50 cm, compact, met brede vleugels, een ronde kop en een middellange staart. Het verenkleed is zeer variabel. De meeste vogels zijn warm roestbruin: bovendelen bruin, keel gestreept, een lichtere band over de onderborst en een roestig gebandeerde buik; de staart is rossig tot grijsbruin met fijne bandering en bij adulten een brede donkere eindband. Er zijn ook donkere, bijna egaal chocoladebruine vogels en lichte, vrijwel witte vogels. De ondervleugel is licht met een donkere carpaalvlek, zwarte vleugelpunten en bij adulten een scherpe donkere achterrand. Jonge vogels zijn op de onderzijde langsgestreept in plaats van gebandeerd, missen de brede staarteindband en de scherpe vleugelachterrand, en hebben een licht oog. Zweeft met de vleugels in een ondiepe V en bidt soms kort boven grasland.
Verwarringssoorten
De jakhalsbuizerd Buteo rufofuscus is groter en zwaarder, met leigrijze tot zwarte bovendelen, een roestrode borst of een witte borst, een korte roodbruine staart en witte ondervleugeldekveren tegen zwart gezoomde slagpennen; hij is standvogel in berggebied. De Kaapse bergbuizerd Buteo trizonatus is kleiner en bewoont bos en plantages het hele jaar; adulten hebben een witte onderzijde met grove bruine druppels, maar jonge vogels van beide soorten zijn in het veld nauwelijks te scheiden: let op habitat en seizoen. De Afrikaanse bergbuizerd Buteo oreophilus in de bergbossen van Malawi en noordelijk Mozambique geeft hetzelfde probleem. De wespendief Pernis apivorus heeft een kleine kop op een lange nek en een langere staart met twee banden bij de basis; de zwarte wouw Milvus migrans heeft een gevorkte staart en zweeft met hangende vleugels.
Leefgebied
Open landschap met uitkijkposten: grasland, Karoo-struweel, landbouwgrond, weidegebied en wegbermen, ook open savanne en de randen van plantages. Mijdt dicht bos en de echte woestijn. Jaagt vanaf een paal of draad, maar ook al biddend, op knaagdieren, hagedissen, grote insecten zoals sprinkhanen en termieten, en jonge vogels. Verzamelt zich soms in losse groepen bij grasbranden en termietenzwermen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Wijdverspreid over het grootste deel van Zuid-Afrika, Lesotho, Eswatini, Botswana en Zimbabwe, het talrijkst op het Hoogveld, in de Vrijstaat en de oostelijke Karoo; ook in Namibië behalve de Namib, en in Zambia, Malawi en Mozambique, waar vooral doortrekkers langskomen. In Angola schaarser. Broedt van Scandinavië en Oost-Europa tot Centraal-Azië; de nominaatvorm blijft grotendeels in Europa, de steppebuizerd trekt in grote aantallen via de Bosporus, Eilat en de Grote Slenk naar oostelijk en zuidelijk Afrika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Rijd in december of januari over een landweg op het Hoogveld of door de Karoo en tel de roofvogels op de telefoonpalen: een groot deel is steppebuizerd. Juist die gewoonte maakt de soort tot het ijkpunt voor het determineren van zeldzamere buizerds; bekijk elke vogel op staartband, vleugelachterrand en de lichte borstband. Kleine aantallen overzomeren en worden soms in juni en juli gezien.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; de wereldpopulatie is groot en de steppebuizerd wordt tijdens de trek in honderdduizenden geteld. In het overwinteringsgebied vallen slachtoffers door aanrijdingen langs wegen, elektrocutie op stroommasten en vergiftigd aas, maar grootschalige afnames zijn niet aangetoond.
Wetenschappelijke naam
Buteo buteo | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Falco Buteo; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Buteo werd in 1799 ingevoerd door De Lacépède. Buteo is het Latijnse woord voor een buizerd. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam: het geslacht is bij tautonymie naar deze soort gevormd. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.


