Alle soorten › Zangvogels › Wevers › Fluweelwidavink

Fluweelwidavink | Euplectes capensis

Yellow Bishop | Obispo Culigualdo

De fluweelwidavink is een zwarte bisschop met een heldergele stuit en gele schouders, die in fynbos, bergruigte en natte laagten van boven op een struik zijn stuit laat oplichten. Het is een forse, kortstaartige soort die ook buiten de broedtijd aan het gele schouderstuk te herkennen blijft.

Fluweelwidavink (Euplectes capensis)
Foto: Lip Kee from Singapore, Republic of Singapore — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een reeks droge, schurende en sissende tonen, zzeet-zzeet-zzeet-tsjrrr, vaak met ingetrokken kop en opgezette stuitveren, vanaf de top van een struik of stengel. De roep is een hard tsjip. Ook een zoemende baltsvlucht laag over de vegetatie.

Luister: ZangXC972949

Opname: Bram Piot — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–16 cm; het mannetje is groter dan het vrouwtje, en de staart is kort en ook in broedkleed niet verlengd. Het mannetje in broedkleed is fluweelzwart met een heldergele stuit, die bij het baltsen pluizig wordt opgezet, en gele kleine vleugeldekveren die een schouderstuk vormen; de slagpennen zijn bruin met lichte randen, de snavel is zwart en zwaar. Buiten de broedtijd is het mannetje bruin en zwaar gestreept, maar het houdt de gele schouder en een gele stuit. Het vrouwtje is bruin, dicht donker gestreept, met een olijfgele stuit, een vage wenkbrauwstreep en een gestreepte borst; het is groter en donkerder dan andere vrouwelijke bisschoppen.

Verwarrings­soorten

De spiegelwidavink (Euplectes albonotatus) heeft naast een geel schouderstuk een witte vleugelvlek, geen gele stuit en een langere staart, en een blauwgrijze snavel. De geelrugwidavink (Euplectes macroura) heeft een gele mantel in plaats van een gele stuit en een langere staart. De hanenstaartwidavink (Euplectes progne) heeft een rood-met-witte schouder en een zeer lange staart. De Napoleonwever (Euplectes afer) is veel kleiner, met een gele kruin. Vrouwtjes zijn door de olijfgele stuit en het forse formaat te herkennen.

Leefgebied

Fynbos en renosterveld, ruig grasland met varens en struiken op berghellingen, bosranden, natte laagten en vleien met riet en zegge, en in het noorden van het gebied montane graslanden en hoog gras bij akkers. Broedt polygaam; het nest is een koepeltje in laag struikgewas of gras.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In Zuid-Afrika van de West-Kaap langs de zuidkust door de Oost-Kaap en KwaZoeloe-Natal tot Mpumalanga en Limpopo (Soutpansberg), met Eswatini en de randen van Lesotho; verder in de oostelijke hooglanden en het centrale plateau van Zimbabwe, het hoogland van Mozambique, Malawi, het noorden en oosten van Zambia en het westen en de hooglanden van Angola. Ontbreekt in Botswana en vrijwel heel Namibië. Daarbuiten van Kameroen en Congo-Kinshasa tot Oost-Afrika en Ethiopië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In het fynbos van de West-Kaap in de late winter en lente, als mannetjes op de toppen van protea's en restio's zingen en hun gele stuit als een lampje opzetten. Een zwarte vogel met gele stuit die kort opvliegt en weer neerkomt is vrijwel altijd deze soort.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; algemeen in geschikt habitat. Plaatselijk teruggelopen door bebouwing en bebossing van fynbos en grasland, maar profiteert ook van ruigte langs akkers.

Wetenschappelijke naam

Euplectes capensis | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Loxia capensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Euplectes werd in 1829 ingevoerd door Swainson. Euplectes verbindt Grieks eu 'fraai, goed' met Neolatijn plectes 'wever'. capensis is Latijn voor 'van de Kaap' — naar de herkomst van het eerste exemplaar bij Kaap de Goede Hoop. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.