Alle soorten › Zangvogels › Wevers › Goudrugwever
Goudrugwever | Euplectes aureus
Golden-Backed Bishop | Obispo Dorado
De goudrugwever is een bisschop met een zeer klein verspreidingsgebied: de kustvlakte en het randgebergte van West-Angola, en daarnaast São Tomé. Het broedende mannetje is zwart met een stralend goudgele rug.
Geluid
Een zacht sissende, schurende zang van korte tsjilpen en zoemende tonen, tsjip-tsjip-zzzee, vanaf een struik of hoge grashalm. De roep is een droog tsjik.
Opname: Phil Gregory — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 12 cm, met een korte staart en een zware kegelsnavel. Het mannetje in broedkleed is zwart op kop en onderdelen, met een goudgele mantel en rug die als een zadel oplicht; de vleugels en de staart zijn zwartbruin met lichte randen. Het vrouwtje en het mannetje buiten de broedtijd zijn geelbruin en donker gestreept, met een lichte wenkbrauwstreep en een gelige, fijn gestreepte borst, en zijn in het veld lastig van andere vrouwelijke bisschoppen te scheiden.
Verwarringssoorten
De Napoleonwever (Euplectes afer) is kleiner en heeft een gele kruin boven het zwarte gezicht. De fluweelwidavink (Euplectes capensis) is groter, met gele schouders en een gele stuit maar een zwarte mantel. De geelrugwidavink (Euplectes macroura) heeft eveneens een gele mantel, maar ook gele schouders en een duidelijk langere staart, en komt in West-Angola niet in hetzelfde droge milieu voor. Bij het vrouwtje helpen vooral de verspreiding en het gezelschap van mannetjes.
Leefgebied
Droge savanne met struiken en hoog gras, doornstruweel, grasland in de kustvlakte en op de hellingen van het randgebergte, en akkers en braakland. Broedt in de regentijd; buiten de broedtijd in kleine zwermen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Een bijna-endemische soort van West-Angola, van de kustvlakte bij Luanda en Bengo zuidwaarts door Cuanza Sul en Benguela tot in het westen van Huíla, vooral onder circa 1.000 m. Verder alleen op São Tomé, waar de soort mogelijk door mensen is ingevoerd. Elders in het gebied geen waarnemingen.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het best in de regentijd, van december tot april, langs de kustweg en de wegen het randgebergte op in Cuanza Sul en Benguela, waar zingende mannetjes op struiken langs bermen en akkers zitten.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; binnen het kleine areaal plaatselijk algemeen en tolerant voor landbouwgebied, maar weinig onderzocht.
Wetenschappelijke naam
Euplectes aureus | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Loxia aurea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Euplectes werd in 1829 ingevoerd door Swainson. Euplectes verbindt Grieks eu 'fraai, goed' met Neolatijn plectes 'wever'. aureus is Latijn voor 'gouden' — naar de goudgele rug van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Benguela, Angola.


