Alle soorten › Zangvogels › Wevers › Spiegelwidavink

Spiegelwidavink | Euplectes albonotatus

White-Winged Widowbird | Obispo Aliblanco

De spiegelwidavink is een zwarte widavink met een matig lange staart, een geel-met-bruin schouderstuk en een witte vleugelvlek die in de vlucht als een spiegel oplicht. Het is de algemeenste widavink van ruig gras in de savannezone.

Spiegelwidavink (Euplectes albonotatus)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een gevarieerde zang van tsjilpende en sissende tonen, tsjip-tsjip-tsjip-zzzee, afgewisseld met ratelende en gonzende geluiden, vanaf een grashalm of in de baltsvlucht, waarbij het mannetje met gespreide staart en langzame vleugelslagen over het gras vliegt. De contactroep is een zacht tsjip.

Luister: ZangXC247182

Opname: Rory Nefdt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Het broedende mannetje meet 15–19 cm inclusief de staart en ongeveer 13 cm zonder; de brede, iets afgeronde staart is 7–9 cm lang. Buiten de broedtijd en bij het vrouwtje 13–14 cm. Het mannetje in broedkleed is glanzend zwart met een geel schouderstuk van de kleine dekveren, daaronder een kaneelbruine band, en witte bases van de handpennen die een witte vleugelvlek vormen; de snavel is lichtblauwgrijs. Buiten de broedtijd is het mannetje gestreept bruin, maar houdt het het gele en kaneelkleurige schouderstuk en de witte vleugelvlek. Het vrouwtje is geelbruin en gestreept, met een bleke wenkbrauwstreep, een vaag gestreepte, lichte borst en een klein geel randje aan de schouder.

Verwarrings­soorten

De fluweelwidavink (Euplectes capensis) heeft een korte staart, een gele stuit, een zwarte snavel en geen witte vleugelvlek. De geelrugwidavink (Euplectes macroura) heeft een gele mantel en geen wit in de vleugel. De roodschouderwidavink (Euplectes axillaris) heeft een oranjerood schouderstuk. De hanenstaartwidavink (Euplectes progne) is veel groter, met een rood-witte schouder en een zeer lange staart. De witte vleugelvlek sluit in elk kleed van het mannetje alle andere zwarte widavinken uit.

Leefgebied

Hoog, ruig gras in savanne en bosveld, vaak bij water, vleiranden, oeverruigte, verwaarloosde akkers en suikerrietvelden. Het mannetje houdt een territorium op een open plek met verspreide struiken of hoge stengels. Buiten de broedtijd in grote zwermen, vaak met bisschoppen en andere wevers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in het oosten van Zuid-Afrika (Oost-Kaap, KwaZoeloe-Natal, Mpumalanga, Limpopo, Gauteng en Noordwest), Eswatini, het oosten en noorden van Botswana, het noordoosten van Namibië (Caprivi en Kavango), Zimbabwe, Mozambique, Malawi, Zambia en Angola. Daarbuiten door Oost- en Centraal-Afrika tot Ethiopië, Zuid-Soedan en Gabon.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van januari tot maart in ruig gras langs vleien of in hoog gras rond kampen in de Krugerpark-regio en het Zimbabwaanse hoogland. Let op de vlucht: het oplichtende wit in de vleugel is vaak het eerste wat opvalt, ook bij mannetjes in rustkleed in een gemengde zwerm.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; algemeen en wijdverspreid. Profiteert van ruigte langs akkers en irrigatiegebieden.

Wetenschappelijke naam

Euplectes albonotatus | (Cassin, 1848)

Cassin beschreef de soort in 1848 als Vidua albonotata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Euplectes werd in 1829 ingevoerd door Swainson. Euplectes verbindt Grieks eu 'fraai, goed' met Neolatijn plectes 'wever'. albonotatus komt van het Latijnse albus, 'wit', en notatus, 'getekend' — naar de witte vlek in de vleugel van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Durban, KwaZulu-Natal, Zuid-Afrika.