Alle soorten › Zangvogels › Wevers › Geelrugwidavink

Geelrugwidavink | Euplectes macroura

Yellow-Mantled Widowbird | Obispo Dorsiamarillo

De geelrugwidavink is een zwarte widavink met een gele mantel en gele schouders en een middellange staart. Het is een soort van natte graslanden en dambo's in het noorden van het gebied, waar mannetjes met trage vleugelslagen en hangende staart over het gras zweven.

Geelrugwidavink (Euplectes macroura)
Foto: i_c_riddell — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een ijle, sissende en krassende zang, tsji-tsji-tsjirrr-zzee, vanaf een grashalm of in de langzame baltsvlucht. De roep is een zacht tsjip.

Luister: ZangXC889822

Opname: Peter Ward — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Het broedende mannetje meet 19–22 cm inclusief de staart en 13–14 cm zonder; de staart is smal en getrapt en hangt in de vlucht wat omlaag. Buiten de broedtijd en bij het vrouwtje 13–14 cm. Het mannetje in broedkleed is zwart met een heldergele mantel en gele kleine vleugeldekveren, zodat het geel van de rug doorloopt in het schouderstuk; de slagpennen zijn bruin met lichte randen, de snavel zwart. Buiten de broedtijd is het mannetje gestreept bruin met een geel schouderstuk. Het vrouwtje is geelbruin en zwaar gestreept op de bovendelen, lichter en nauwelijks gestreept op de borst, met een gelige wenkbrauwstreep en een geelachtig randje aan de schouder.

Verwarrings­soorten

De fluweelwidavink (Euplectes capensis) heeft een gele stuit in plaats van een gele mantel en een korte staart. De spiegelwidavink (Euplectes albonotatus) heeft een witte vleugelvlek en een zwarte mantel. De Hartlaubs widavink (Euplectes hartlaubi) van Angola en Zambia is groter, met een oranjegeel tot geelbruin schouderstuk, een zwarte mantel en een langere staart. De goudrugwever (Euplectes aureus) van West-Angola heeft een gouden rug maar een korte staart en geen geel schouderstuk. Buiten het broedkleed wijzen het gele schouderstuk en de brede wenkbrauwstreep op deze soort.

Leefgebied

Natte en seizoensgebonden overstroomde graslanden, dambo's, vleien, moerasranden en open plekken met hoog gras in miombo, ook ruige akkerranden. Het mannetje houdt een territorium op open grasland en zweeft er met opgezette mantel en hangende staart overheen. Buiten de broedtijd in zwermen met andere widavinken en bisschoppen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in Angola, Zambia, Malawi, het midden en noorden van Mozambique en het noorden en oosten van Zimbabwe (vooral het hoogveld van Mashonaland); in Botswana, Namibië en Zuid-Afrika niet of hooguit als dwaalgast. Daarbuiten van Senegal oostwaarts door de savannezone tot Ethiopië, Oeganda, Kenia en Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bezoek in januari tot maart een dambo of een nat grasland in Zambia of Malawi; mannetjes vallen op door het contrast van zwart en geel en de trage, zwevende baltsvlucht. Controleer in Angola en Zambia altijd de kleur van de mantel en de lengte van de staart om de Hartlaubs widavink uit te sluiten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; plaatselijk algemeen in natte graslanden. Kwetsbaar voor drooglegging en omzetting van dambo's in akkers.

Wetenschappelijke naam

Euplectes macroura | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Loxia macroura; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Euplectes werd in 1829 ingevoerd door Swainson. Euplectes verbindt Grieks eu 'fraai, goed' met Neolatijn plectes 'wever'. macroura komt van het Griekse makros, 'lang', en oura, 'staart' — naar de lange staart van het mannetje in broedkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Ouidah, Benin.