Alle soorten › Zangvogels › Wevers › Roodkeelwidavink

Roodkeelwidavink | Euplectes ardens

Red-Collared Widowbird | Obispo Acollarado

De roodkeelwidavink is een slanke, geheel zwarte widavink met een scharlakenrode halve maan op de keel en een lange, smalle staart die in de vlucht als een lint achter de vogel aan golft. Hij leeft op ruige, grazige hellingen in het oosten van het gebied.

Roodkeelwidavink (Euplectes ardens)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, hoog en ijl gekwetter, tsjip-tsjip-tsjirrrr, vanaf een grashalm of struik, en in de baltsvlucht een droog ratelend geluid. De roep is een hoog tsjip.

Luister: ZangXC364550

Opname: Faansie Peacock — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Het broedende mannetje meet 25–30 cm inclusief de staart en 12–13 cm zonder; de lange, smalle, getrapte staart is ruim de helft van de totale lengte. Buiten de broedtijd en bij het vrouwtje 12–13 cm. Het mannetje in broedkleed is dof fluweelzwart met een smalle scharlakenrode tot oranjerode halve maan over de onderkeel; de snavel is zwart. Buiten de broedtijd lijkt het mannetje op het vrouwtje, maar het is groter, met zwartachtige slagpennen. Het vrouwtje is klein, geelbruin en donker gestreept op de bovendelen, met een heldere okergele wenkbrauwstreep en een ongestreepte, lichte okerkleurige keel en borst. Mannetjes in rui kunnen de staart al hebben voordat het kleed geheel zwart is.

Verwarrings­soorten

De hanenstaartwidavink (Euplectes progne) is veel groter, met een rood-witte schouder, een nog langere, brede staart en een bleke snavel. De dominicanerwida (Vidua macroura) heeft een witte onderzijde en een rode snavel. De smalstaartparadijswida (Vidua paradisaea) heeft een roestbruine borst en een gele nek. Vrouwtjes zijn van andere vrouwelijke widavinken en bisschoppen te scheiden door hun kleine formaat, de ongestreepte okerkleurige borst en de heldere wenkbrauwstreep.

Leefgebied

Ruig, hoog gras op hellingen met verspreide struiken en varens, montane graslanden, bosranden, open plekken in bos en verlaten akkers, vaak op iets grotere hoogte dan de spiegelwidavink. Het mannetje vliegt in de balts laag boven het gras met snelle vleugelslagen en golvende staart; hij houdt een territorium met meerdere vrouwtjes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In Zuid-Afrika van de Oost-Kaap door KwaZoeloe-Natal, Eswatini en het randgebergte van Mpumalanga tot Limpopo; verder in Zimbabwe (vooral de oostelijke hooglanden en het centrale plateau), Mozambique (hoogland en plaatselijk in het laagland), Malawi, Zambia en Angola. Ontbreekt in Botswana, Namibië en het westen van Zuid-Afrika. Daarbuiten van West-Afrika oostwaarts tot Ethiopië en zuidwaarts door Oost-Afrika; in het noordoosten van het areaal hebben mannetjes een rode kruin.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het best van december tot maart op grazige hellingen in het randgebergte van Mpumalanga, in de Natal-middellanden of in de oostelijke hooglanden van Zimbabwe, als mannetjes met hun lange staart boven het gras patrouilleren. Het rode halsbandje is op afstand vaak niet te zien; let dan op de slanke bouw en de smalle staart.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; plaatselijk algemeen. Plaatselijk achteruit door bebossing, intensieve begrazing en het veelvuldig branden van grasland. Vaak gebruikt als voorbeeld in onderzoek naar seksuele selectie op staartlengte.

Wetenschappelijke naam

Euplectes ardens | (Boddaert, 1783)

Boddaert beschreef de soort in 1783 als Fringilla ardens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Euplectes werd in 1829 ingevoerd door Swainson. Euplectes verbindt Grieks eu 'fraai, goed' met Neolatijn plectes 'wever'. ardens is Latijn voor 'brandend, gloeiend' — naar de vuurrode keelband van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.