Alle soorten › Zandhoenderachtigen › Zandhoenders › Geelkeelzandhoen

Geelkeelzandhoen | Pterocles gutturalis

Yellow-Throated Sandgrouse | Ganga Gorgigualda

Het geelkeelzandhoen is het grootste en zwaarste zandhoen van zuidelijk Afrika, een vogel van kale, kortgrazige vlakten bij overstromingsgebieden. Groepen vliegen halverwege de ochtend met diepe, keelachtige roepen naar het water.

Geelkeelzandhoen (Pterocles gutturalis)
Foto: Stephen Temple from Cape Town, South Africa — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een diep, schor en keelachtig aw-aw of ipi-ipi, vooral in vlucht; het klinkt lager en ruwer dan de roepen van de andere zandhoenders. Groepen die naar het water komen, zijn vaak al van ver te horen.

Luister: VluchtroepXC424861

Opname: Bernard BOUSQUET — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 29 tot 32 cm lang en zo'n 340 gram zwaar; gedrongen, met een korte, licht gepunte staart. Het mannetje heeft een effen lichtgele keel en gezicht, scherp afgezet door een brede zwarte halsband; borst grijsachtig zandkleurig, de buik diep kastanjezwart. De bovendelen zijn grijsbruin met grote gele en bruine vlekken op de vleugeldekveren. Het vrouwtje heeft eveneens een gele keel maar geen halsband; de rest van het kleed is dicht gevlekt en gestreept zandbruin, de buik gebandeerd donker. In vlucht vallen de donkere ondervleugels en de donkere buik op tegen de lichte borst.

Verwarrings­soorten

Het Namakwazandhoen (Pterocles namaqua) is duidelijk kleiner, heeft een lange, spitse staart en bij het mannetje een witte en kastanjebruine borstband in plaats van een zwarte halsband. Het dubbelbandzandhoen (Pterocles bicinctus) en het bont zandhoen (Pterocles burchelli) zijn kleiner, hebben een ronde staart en missen de gele keel met zwarte band. Het formaat, de zware bouw en de donkere buik maken het geelkeelzandhoen ook in vlucht goed herkenbaar.

Leefgebied

Korte, open graslandvlakten op vochtige kleigrond, vooral langs seizoensrivieren, vleien en overstromingsvlakten, en rond zoutpannen; ook op braakliggend en bewerkt land. Voedt zich met zaden van grassen en kruiden en broedt in een ondiep kuiltje op kale grond, vooral in de droge wintermaanden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Vooral in het noorden van Botswana (Okavango, Makgadikgadi, Nxai Pan en Chobe), het noordoosten van Namibië, het westen van Zimbabwe en het zuiden van Zambia, waar de Kafue Flats en de vlakten van West-Zambia een broedgebied in de droge tijd vormen. Een kleine, afnemende populatie leeft in het zuidwesten van Limpopo en het noordoosten van Noordwest in Zuid-Afrika. Buiten het gebied komt een aparte ondersoort voor in Oost-Afrika, van Ethiopië tot Tanzania.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek op de Makgadikgadi-pannen, bij Nxai Pan of in de Kafue Flats en ga halverwege de ochtend, grofweg twee tot drie uur na zonsopkomst, bij een drinkplaats zitten. Luister naar de lage roepen, die de groepen al van ver aankondigen. Op de grond is de vogel ondanks zijn formaat door de schutkleur lastig te vinden; rij langzaam over de vlakten en let op bewegende silhouetten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is over een groot gebied verspreid en plaatselijk talrijk. In Zuid-Afrika is de kleine randpopulatie echter kwetsbaar en regionaal als gevoelig aangemerkt, door omzetting van grasland in landbouwgrond en door verstoring. Het beheer van overstromingsvlakten, zoals de waterhuishouding van de Kafue Flats, beïnvloedt de broedgebieden.

Wetenschappelijke naam

Pterocles gutturalis | Smith, 1836

Smith beschreef de soort in 1836 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Pterocles werd in 1815 ingevoerd door Temminck. Pterocles komt van het Griekse pteron, 'vleugel', en -kles, 'roem' — 'beroemd om zijn vleugels', naar de snelle, uithoudingsvlucht waarmee zandhoenders dagelijks kilometers ver naar drinkplaatsen vliegen. gutturalis komt van het Latijnse guttur, 'keel' — naar de gele keel met de zwarte kraag. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bij Kurrichane (omgeving Zeerust), Noordwest, Zuid-Afrika.